E. du Perron
aan
H. Marsman

Bergen, 10 november 1939

Bergen, 10 Nov. '39.

 

Beste Henny, en Rina almede!

Gisteren heb ik Jan Greshoff geschreven: den eersten brief sinds we in Europa terug zijn. Vandaag jou, precies logisch - maar eig. heb ik weinig te zeggen. Je moet toch maar hier komen, vind ik. Ik geniet nu van dit land, zooals nooit tevoren. Bep knapt hier eindelijk op; ik voel me gewoon 20 jaar jonger; en dit Bergen vooral is heerlijk, al ontmoet je hier al wat tè veel artiesten. Jany is aardig als altijd. We zouden hier maar voor een weekje komen en het zal 6 weken geduurd hebben als we weggaan; en als 't kon, bleven we nòg wel 6 weken!

Tegen 20 dezer dachten we naar Den Haag te gaan. Het is wèl walgelijk dat je eig. bij al zulke plannetjes moet zetten: ‘als die verdomde moffen ons met rust laten’, maar dat is sous-entendu. wat je van dat soldaatje spelen zegt, is eig. al te dwaas: ze zien je liever niet als wel, voorloopig, en àls ze je aannemen is 't om je latrines te laten poetsen of even belangrijk werk. Bovendien, jij en ik zijn nu aan den verkeerden kant van de 40.

Als wij wat willen doen, moet dat op ander gebied zijn. Menno en ik willen eens een samenkomst hebben met J. de Kadt, wiens boek, Het fascisme en de nieuwe vrijheid voortreffelijk is en op-en-top òns boek, politiek gesproken. Een tijdschrift samen oprichten zou het beste zijn. Onder den titel De Nieuwe Vrijheid. Enfin... waar zijn de duiten?

Ik ben doende te probeeren naar Frankrijk te komen. Maar aangenomen dat ik tot Parijs kom, dan zal ik de paar dagen die me misschien worden toegestaan, daar danig noodig hebben, dus zeker geen tijd overhebben voor uitstapjes naar Dijon en omstreken. Dat is dus een wensch die je moet schrappen. Ik wil trouwens zoo gauw mogelijk naar Holland terug, omdat je niet weet wat hier intusschen kan gebeuren, en dan zou ik van Bep en Alain afgesneden zijn, goddomy! Daar moeten wij alle drie niets van hebben.

Literaire zaken: ik geloof niet dat ik ooit een uitgever voor mijn complete ‘blocnotes’, zelfs lichtelijk besnoeid, zal vinden. Maar als ik weer in de stad ben, wil ik het weleens probeeren. Met een voorrede van De Kadt misschien? En dan als titel: In deze grootse Tijd. Wie weet, misschien lukt het nog wel. - E poi muori wil ik verwerken in de reeks ‘De Onzekeren’, waarvan jij een van de mooiste deelen krijgt, zooals afgesproken.

Schandaal in Holland zal ik je uit Den Haag sturen, dan kan ik er nog wat in schrijven. Haast zal je er wel niet mee hebben. Het is ferm uitgescholden door Buning en andere nazi's. Ik ontmoette hier eindelijk Van Leeuwen - zeer geschikt, hoewel de geboren discipel en de ‘literatuurkenner’ die er altijd maar de helft van begrijpen zal, de ‘móóiste’ helft nl. - en Johan van der Woude, die uniform draagt en in Bergen-aan-zee vertoeft. Ook lang niet onaardig. Verder zien we Charley Toorop een enkele keer, en Eddy Fernhout met echtgenoote, uit Italië hierheen gevlucht, wat nog blijken kan een leelijke misrekening te zijn.

Ik vond in het Multatuli-museum een heel pak nooit gepubliceerde dokumenten over Lebak, door niemand zelfs ooit bestudeerd en toch van veel belang. Het is allerzonderlingst, dat al die heeren bij de laatste Mult.-herdenking weer aan 't pennen zijn gegaan, zonder eens in dit museum te kijken, waar deze papieren - niets meer of minder dan ‘het pak van Sjaalman’! - sinds eind 1932 te consulteeren zijn. Ik heb de boel al persklaar gemaakt en zoek nu een uitgever ervoor. Leopold is weinig geschikt voor zulke zaken.

Lissabon leek me oer-vervelend, zooiets van Brussel in het nette. Ik had me die plaats heel en heel anders voorgesteld.

Als je hier komt, laten we dan niet ver van elkaar ‘buiten’ wonen; hier bijv. Tenzij ik in Den Haag moèt blijven. Als alles goed gaat, dacht ik daar vanaf 20 dezer 1½ maand of 2 maanden te blijven voor die Van Hogendorp-papieren, daarna weer hier terug te komen of elders ‘buiten’ neer te strijken. Maar 't kàn zijn dat mijn eigen werk me dwingt om in de stad te blijven. Is Haarlem niks? Of Vogelenzang of Bennebroek? Daar zijn wel minder artiesten.

Helman6398 schrijft ‘flinke’ dingen over de ‘bravehendrikachtigheid’ van Van Schendel. Zoo weinig talent, zoo'n goedkope boekenfabrikant en toch zoo flink, zoo dapper non-conformistisch ook, al is 't dan in het collectieve. 't Is een nare kwibus.

Veel hartelijks ook onder de vrouwen, - een hand van je

E.

6398In De groene Amsterdammer van 28 oktober 1939 besprak Albert Helman De zeven tuinen van Arthur van Schendel onder de titel ‘Anders schrijven en toch eender’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie