E. du Perron
aan
H. Samkalden

Garoet, 4 november 1937

Garoet, 4 Nov. '37

 

Beste Hugo,

Ik antwoord maar direct op je brief, dat houdt nog het best de illusie gaande van een gesprek. Toen ik zoolang niets van je hoorde, dacht ik dat de post mijn zendingen had opgeslokt, maar het verslag over de buitenzorgsche ‘prominenten’ (excusez du peu, als je zoo'n naam leest) heeft me gerustgesteld. Je had drukke bezigheden. En ik zie dat je je er weer voortreffelijk van gekweten hebt.

De 2 gezonden artikelen5001 las ik en zend ik je gelijk hiermee terug. Dat over Freud is een zeer goed en helder overzicht van Freud's werkzaamheid, maar je werkelijk persoonlijke verhouding tot hem moet men wel erg tusschen de regels zoeken. Ik vraag een andere ‘afrekening’! Ik begrijp overigens dat je me zeggen zult dat het zoo moest en niet anders voor 't Bat. Nwsbl. Hierop antwoord ik: Het is bèst, maar ik blijf onbevredigd. - Wat het andere art. betreft, daar kan ik je alleen met moeite volgen, de roode pijltjes ten spijt. Is het natuurrecht, als een paardendief in het eene land met gevangenisstraf wordt berecht en in het andere illico wordt opgehangen? Of komen we dan al in dat speciale staatsrecht, waarvan ik weer wat las, naar aanl.v. Sovjet- en duitsch recht? Maar, voor zoover ik oordelen kan, zal jij wel gelijk hebben en die professor inderdaad voornl. een sentimenteele toespraak hebben gehouden. Dit brengt ons echter weer op het ‘oude’ terrein en op dat andere artikel dat je nog altijd moet schrijven.

Alzoo: twee artikelen te schrijven: dat eene, en een groot stuk over dejuiste verhouding Hugo Samkalden - Sigmund Freud.5002 Dat blanco papiertje waarop ‘bewustheid’ door je geschreven moet worden, komt daar dan misschien ook in voor. Maar een zekere ‘fixatie’ van H.S. aan de ‘leidsche studentenkamer’ en überhaupt de ‘studententijd’ valt niet te miskennen, dus misschien zou dat witte papier in de linkerbovenhoek die woorden kunnen dragen (gedrukt dan, dat is iets anders dan wat je met je eigen hand gaat schrijven). Ik heb de grootste sympathie voor je behoefte aan luciditeit, aan ‘demaskeeren’ zooals je zelf zegt, maar... de freudisten en marxisten zijn eersterangs-patiënten voor de desmaskeerderij! Dit slaat niet op jou, ik haast me dit erbij te zeggen, omdat je géén freudist of marxist bent, nur een ‘ongeloovige’. Geloof niet dat ik dit allemaal niet geloof; ik plaag je alleen graag als je tòch zoo marxistisch doet, maar in werkelijkheid, neen, ik weet wel dat je voor een verstokt marxist niet dom genoeg bent. Iets anders: waarom in godsnaam vertel je me dat ik Freud afwijs of zoo, terwijl ik je keer op keer mijn grootste bewondering en sympathie voor Freud betuigd heb? Rara, wat is dat? Dacht je dat ik zoo sprak speciaal om jou plezier te doen? Of laat jij je nu ook al afleiden door een sporadische schimpscheut, hier en daar in mijn geschriften, over freudiaansche beunhazen? Ter Braak is, zooals je weet, een groot bewonderaar van Freud (al bewondert hij hem niet zóózeer als Nietzsche), maar dat heeft hem niet belet om een voortreffelijk essay te wijden aan het ‘freudiaansche knaagdier’ Vergin.5003 Ik las lang niet alles, en wschl. zelfs lang niet genoeg, van Freud en Marx, maar overal waar ik ze las was de eerste mij sympathiek terwijl de tweede mij altijd onuitstaanbaar leek. Dit heeft niets met bewondering of waarde te maken, maar met het luchtje van het beestje, zou ter Braak zeggen. In ieder geval moet je ditmaal nu voorgoed van me aannemen: ik mag en bewonder Freud. Je schrijft brieven om tot een klaar begrip van onze standpunten te komen, en dit, wat je al 10 × had moeten weten, negeer je doodrustig - waarom? toch niet omdat ik je verteld heb dat ik den heer ‘Guus’ Defresne als freudiaansch bureau van de Kring een idioot vind?5004

Ik lees op het oogenblik, met het oog op de jeugd van Dirk v. Hogendorp, Contrat Social van Rousseau, en met groote geboeidheid. Is dit tenslotte ook niet je meest sentimenteele natuurrecht? Toch zou Marx er misschien niet geweest zijn - of niet zoo gauw - als in 1762 niet dit geschriftje gepubliceerd was. Ik wou dat ik je hier had om een paar punten ervan te bespreken, niet op zichzelf maar om je te consulteeren over: hoè die zich weerspiegeld kunnen hebben in het hoofd van den regent en jurist Willem van Hogendorp (vader v. Dirk).

Min of meer in verband hiermee: het is gewoon griezelig, wat je me nu meedeelt over die theorie van ‘dat Multatuli's invloed op de koloniale politiek nihil was’. Wie zijn de welingelichte lichten die dat beweerden? Zie je, dàt noem ik nu ‘eerste klas’. Als het jeugdige sociologen of zoo zijn, zijn het dus lieden die gewoon hun eigen vak niet kennen, wat eigenlijk ieder debat bij voorbaat onnoodig maakt! De eerste ‘ethische’ minister van koloniën, Fransen van de Putte, was doordrenkt van de Havelaar. Evenzoo iemand als C.Th. van Deventer, die zonder den invloed van Multatuli nooit zijn fameuze artikel Een Eereschuld zou hebben geschreven, en die er rond voor uitkwam dat hij er vooral trotsch op zou zijn geweest als men gezegd had dat zijn optreden bijv. de ‘realisatie’ was van Mult.'s ‘idealen’. En hoeveel anderen meer! Dat hier nog over gepraat moet worden is zoo oer-stom. Laten die heeren toch praten over de dingen die ze weten. Dit is precies even stom als om te beweren dat Rousseau's invloed op de fransche revolutie nihil is geweest, of Marx' invloed op de russische. En dergelijke dingen moet je met groote serieusheid eerst vaststellen, en ‘waar maken’ voor je verder kunt debatteeren - als het debat tenminste niet dààrin vastloopt! - en dat godbeter 't, in Indië.*

Jij, die telkens weer terugkomt op die ergernis van me over ‘eerste-klas’-discussies, leg me eens uit wat dit anders is dan het meest hopelooze eerste-klas-geleuterhannes?

Ik begrijp overigens niet waaròm je je dat ‘eersteklas’-gevoel, dat me telkens hier bekruipt (maar in Holland ook, laat ik dat erbij zeggen, want veel van dit ‘Indië’ is eigenlijk door-en-door ‘Holland’), zoo schijnt aan te trekken. Het is al net als met Van der Hoop die me maar niet kon vergeven dat ik het woord ‘intellectueelen’ gebruikt had in een zin waardoor willekeurige doktoren en advokaten erbuiten vielen. Ik heb hem hierover een prachtig citaatje gestuurd van Benda, maar ‘het komt niet te pas’, schijnt het toch. Goed, op een keer vertelde ik aan V.d.H. dat het Hindoe-Javaansche geschiedenisboek van Krom zoo door-en-door hollandsch was in zijn saaie voorzichtigheid. Hij zei toen, met een dictatoriaal gebaar: - Het is een wetenschappelijk werk! - Inderdaad, maar ik was heusch zoo stom niet om aan dit wetenschappelijk werk de eischen te stellen die ik stellen zou aan de Hond van de Baskervilles; het z.g. onderscheidingsvermogen waarmee iemand me in zooiets denkt terecht te wijzen geeft me nu typisch die reactie van: ‘eerste klas - we zijn er weer’. Kan je dit begrijpen? Of laak je 't in me dat ik die gevoelens heb, bij soortgelijke quasi-puntjes-op-de-i-zettende botheden?

Van Ritman kreeg ik gister een aardige, uitvoerig-verklarende brief. Ik was er erg blij mee, maar moest tot mijn stomme verbazing lezen dat deze brief hem noodig leek omdat ik ‘ontvlamd’ zou zijn en hem ‘op zijn plaats had willen zetten’. Wonderlijk is dat, maar wee de wolf etc. Ik schijn altijd agressief te moeten zijn, zelfs als ik voor mijn eigen gevoel nog maar net aan de gezelligheid toe ben. Ik heb R. nu even expliceerend geantwoord5005 en hoop dat hij dààr weer wat aan gehad heeft, al behoort al dit ‘hebben’ voor mij ook weer voornl. tot de ‘gezelligheid’. Het begin van deze uitvoerigheden was doodgewoon zoo: Ritman schreef, om mij te plagen, dat hij Ter Br. en mij ons ‘multatulionisme’ gunde als infantiele regressie. Ik schreef hem, om hem terug te plagen, dat zijn bewonderde Meyer Ranneft misschien ook maar een infantiele regressie was Multatuli - wat nog grootendeels juist schijnt te zijn ook. Maar nu Ritman me uitvoerig heeft uitgelegd waarom hij Mult. ‘ontgroeid’ is, heb ik hem even uitvoerig trachten uit te leggen waarom T.Br. en ik het niet zijn, niet willen zijn, alle recht hebben het niet te zijn. Het is puur een probleem van ‘cultuurhistorischen’ aard, al is mijn verklaring ‘achteraf gevonden’ en al was de toenadering van T.Br. en mij tot Multatuli, juist in dezen tijd, veel instinctiever dan Ritman wschl. vermoedt, want hij constateert dat hij sentimenteeler en romantischer is dan ik (waarin hij verdomd veel durft beweren!) en ziet T.Br. en mij aan voor hyper-intellectueelen, die zelfs al hun bewonderingen controleeren. Toch komt het in één woord hierop neer: zooals Benda en Huizinga in dezen tijd teruggrijpen naar Erasmus en Spinoza, grijpen T.Br. en ik terug naar Multatuli; en dat Mult. typisch een ‘politicus zonder partij’ is, in tegenstelling met de ‘onzijdigheid des clerken’ die de Benda's zoo lief is, verklaart alles. (Lees bijv. het stuk dat T.Br. schreef over de houding van Ortega,5006 wschl. krijg je het binnenkort van Verboeket, als hij je die stukjes nog zendt; ik heb 't niet meer).

Tenslotte: de Heer Koets over je. 't Staat me lang niet fraai, maar je weet dat ook ik in dit opzicht de gematigde ben en jij de felle. Voor een buitenstaander - d.w.z. iemand die niet weet hoe jij Verhoeven als mensch kent en onuitstaanbaar vindt - is je felheid in dezen slecht begrijpelijk. Maar daar spraken we al over in Tjitjoeroeg, en na je uitleggingen begrijp ik je wèl. Afgescheiden daarvan vond ik je stuk over Romein5007 veel persoonlijker, of beter is misschien ‘directer’ dan al wat ik tot dusver van je las.

Nu, dit is een lang epistel. Hartelijke groeten, ook van Bep, en van Alijntje die nog vaak naar ‘Higo’ vraagt, steeds je

EdP.

 

P.S. - Je vergat mij mijn portie Blocnotes terug te sturen uit de laatste G.N. (October-nr.) Doe je dat nog? Bij voorbaat dank. - Ik doe bij joùw artikelen het stukje dat ik over Schoonheyt schreef en dat ik nu pas kreeg. ('t Stond in Kunst en Kultuur). Ook graag terug, mèt de blocnotes.

 

Geschreven met een pest-japansche vulpen: dik-dik-dik...

5001Artikelen niet teruggevonden.
5002Artikelen niet teruggevonden.
5003M. ter Braak, ‘Een studie in schaduw’. In Forum 1 (1932) 7 (juli), p. 451-464. Onder andere over F. Vergin, Das unbewusste Europa, Psychoanalyse der europäischer Politik. Wien etc. 1934. Opgenomen in M. ter Braak, Het tweede gezicht. 's-Gravenhage 1935, p. 1-20.
5004Marie Antoine August Defresne (1893-1961), schrijver en toneelregisseur.
*En iedereen is Multatuli hier nu ‘ontgroeid’, om het woord v. Ritman te gebruiken. De een is het als ‘praktisch politikus’, de ander als redacteur van een krant die de ‘orde’ voorstaat, nog een ander omdat Mult. niets van Marx ‘begrepen’ heeft, en de meesten omdat ze gewoon niet weten waar ze 't over hebben. Maar... àl deze redenen zijn natuurlijk geldig! Wat drommel, ik zou ook zoo praten als ik niet toevallig ‘ik’ was!
5005Niet teruggevonden. Maar zie Bw TB-DP 4, p. 195-196), waar DP schrijft: ‘Ik stuur je het briefje van Ritman door om je een reactie te laten zien op ons Multatuli-geroep, komend van een der meest verlichte koloniseerenden hier. Ritman is een jongere Schilt, ± 50 inpl. van ± 65. In 't gebruik een “beste vent”, trouwens dat merk je wel uit zijn brief, gegeven vooral dat hij mij boos waant. Wie Meyer Ranneft is doet er niet veel toe. Een van de nogal “ethische” hooge heeren hier (nu weg), voor wien Ritman nogal bewondering heeft. R. schreef mij - om te plagen inderdaad - dat jouw en mijn multatulionisme hem een infantiele regressie leek; waarop ik antwoordde dat misschien zijn bewonderde M.R. ook maar een infantiele regressie van Mult. was. Maar op één ding komt het aan: al deze lieden begrijpen er niets van, waarom Mult. voor jou en mij zoo actueel is, terwijl hij voor hen een voorbije waarde is en een voorbij stadium vertegenwoordigt.
Ik heb daar nu, grosso modo, op geantwoord:
dat ik die voorbijheid allerminst erken;
dat de 1001 hollandsche geborneerdheden die men vinden kan, er haast op zouden wijzen dat Mult. nooit geweest is, laat staan gedepasseerd; dat het voor Indië in den kern precies zoo is, al is hier in nuances inderdaad veel méér veranderd (vooral wat de z.g. inheemschen betreft);
dat Mult. voor ons actueel is, juist in dezen tijd, als typisch “politicus zonder partij” - dat geeft meteen 't contact met jou aan (maar óók met mij!) - even actueel als Erasmus het is voor Benda of Huizinga, en met even veel recht; dat dit teruggrijpen naar Mult. een “besef van cultuur” beteekent, van “vaderlandsche cultuur”, wat toch al zoo moeilijk valt voor een Hollander; - dat jij en ik dit cultuurbesef naar Mult. dirigeeren, zooals 100 anderen het doen naar den vaderl. puikpoëet Vondel bijv.;
dat ik op zal houden, misschien, om in Indië “leve Mult.” te roepen, als de anderen hier zullen ophouden om Coen te verheerlijken, tot 's mans gesupposeerde en naarstig vergaderde botjes toe, waarvoor duizenden worden gegeven door heeren Geo Wehry en andere handelsschavuiten; - en ook als Coen, Daendels enz. niet meer de beschermde porselijnen poppetjes van de indische kranten zullen zijn;
en nog wat - alles op de vriendelijksten toon.’
5006M. ter Braak, ‘Ortega en Erasmus’. In Het vaderland van 25 september 1937 (av.).
5007‘In het zonnetje van gisteren’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie