E. du Perron
aan
J. Peeters

Brussel, 13 februari 1925

Brussel, Vrijdag

 

Beste Peeters,

Net was ons briefje34 weg of je kaart werd mij gebracht. Ik schrijf vandaag nog aan Chevalier om hem rendez-vous te geven voor Maandag of Dinsdag; direct daarna schrijf ik je dan weer.

Jammer dat Burssens maar één gedicht kan geven; enfin, waar niet is....

Ik zal, als jou dat liever is, Piano bespreken. Dat artikeltje35 krijg je dus eerstdaags.

 

Nog een woordje over het mislukte ‘hoofd-artikel’. Je zult misschien gedacht hebben dat het een mopje van ons was, maar beste kerel, het was bijna een drama. Willink heeft bladzijden en bladzijden geschreven; goede en minder goede; maar zoodra er een doorloopend geheel van moest komen viel het zaakje in elkaar. Gisteravond en van-daag heb ik er mij mee bemoeid en gepoogd vasten vorm aan de vluchtende massa te geven. Maar terwijl ik het artikel met W. besprak verdwenen zijn theorieën, grieven, enthousiasmen. We hebben elkaar ‘au pied du mur’ gebracht; wat ons overbleef was natuurlijk de overtuiging persoonlijk het moderne te willen, zonder één reden te kunnen opgeven waarom een ander het ook zou moeten doen, veel minder nog het modernisme te kunnen aanpraten. En dan, wèlk ‘modernisme’? Het onze? het jouwe? dat van de z.g. Hollandsche school? W. had een flinke moot tegen die z.g. Holl. school (van Plasschaert) geschreven; al onderzoekende begon hij te merken dat hem de overtuiging ontbrak die heeren op goede basis verwijten te doen; we hadden toch niet kunnen schrijven: ‘Die klooien zijn ons zeer antipathiek, omdat ze wat anders willen doen dan wij’ -? alzoo niet in een hoofdartikel. Kortom, we kwamen meer en meer op het idee alles maar goed te vinden (in principe, natuurlijk, niet in detail, maar over welke détails hadden we moeten spreken?)

Toen dus dàt brok in het water gevallen was bleven ons zoowat twee velletjes over; wat daarin stond was nogal goed, maar neutraal; bij het overlezen vond W. dat het evengoed niet als wèl gezegd kon worden. Toen heb ik die velletjes verscheurd en hij heeft je zijn brief geschreven.

Als ik maar eenigszins de man was om zonder zelfcritiek een critisch artikel te schrijven zou ik het hebben gedaan; maar dat is mij ten eenenmale onmogelijk. Ik zal trachten den indruk dien ik van Burssens heb (bepaald geval = détail) te motiveeren, en dat zal wel lukken; tusschen dat en een soort acte-van-geloof in 3 of 4 kolom en voor een eerste nummer van een nieuw blad is eenig verschil. Men moet daarvoor of de overtuiging of het temperament van een voorman hebben, wil men eerlijk zijn; - anders doodgewoon een kletsmeier zijn die voor vaderland en vorst een lang praatje ‘in de gewenschte richting’ aan elkaar lapt. Ik ben noch het een noch het ander; het spijt mij overigens wanneer ik je in zeker opzicht in den steek moet laten. Hoe denk je nu die 4 eerste kolommen te vullen?

Met een paar cliché's erin zou jouw artikel (zoonoodig wat uitgebreid) natuurlijk best voorin kunnen komen te staan; maar laat ik je in dat opzicht mijn goede raad besparen.

 

Je sprak ook van annoncen: in principe zijn die mij (vooral waar ons blad slechts 4 pag. zal hebben) niet sympathiek. Tenzij alleen voor eigen uitgaven.

Voor tekst-omzendkaart heb ik geen gegevens. Is het niet geschikter bij no 1 - dat als proefnummer beschouwd kan worden - een bestelkaart voor 't abonnement te leggen?

Tot Dinsdag.

Je DP

 

Origineel: Antwerpen, Letterenhuis

34Niet teruggevonden brief van DP en Willink, waarin zij P meedeelden dat het openingsartikel niet meer door Willink geschreven zou worden.
35In De driehoek 1 (1925) 1 (april), p. 4.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie