E. du Perron
aan
J. Peeters

Brussel, 9 februari 1925

Brussel, Maandag.

 

Beste Peeters,

Hierbij een plattegrond van de kamer waarin de kast zou komen te staan:

De lengte van het muurvlak is ongeveer 1M.60, ik heb dus op ±5 c.M. links en rechts van de kast gerekend, wat best gaat, vooral wanneer de kast niet te diep wordt. Het deurtje geeft geen belemmering, want het is een tochtdeurtje dat naar beide kanten openslaat; boven-

illustratie

dien heb ik voorlopig geen andere plaats. ‘Ter hoogte van de oogen’, d.w.z. staande.

De kamer is ± 3 M. in het vierkant; het is het groene middenhokje waar vroeger mijn schrijftafel stond, je weet wel.

Bij voorbaat dank voor ontwerp en 5 ex. K w.p.D., die morgen wel hier zullen zijn.

De tweede drukker die ik op het oog had: Place du Grand Sablon, schijnt verhuisd naar een onmogelijk achterbuurtje, maar mijn boekhandelaar heeft namens mij rendez-vous gegeven (Woensdag a.s., dus overmorgen) aan een drukker die buiten werkt, in een dorp waarvan ik den naam alweer kwijt ben, - een of andere Sint natuurlijk - en die zéér goedkoop en, volgens hem, zeer bevredigend ook, moet werken. Ik heb gevraagd den man te zeggen dat hij Woensdag meteen een paar staaltjes zetsel meebrengt. Ik zend je die dan op, aan jou om te oordeelen; en geef je meteen zijn adres, jij schrijft hem dan verder of je het met hem probeeren wilt of niet. Waar de meeste reclame's, aanduidingen, etc. toch van jou zullen komen is het beter dat de man meteen weet voor wien hij eig. werkt; ik zou hem dan alleen van tijd tot tijd, indien wenschelijk, wat kunnen ‘narijden’. Het dorp schijnt op een kwartier sporen afstands van Brussel te liggen. Enfin, Woensdag meer hierover.

Willink heeft zich op je aanraden in groote haast met een dokter verstaan en voelt zich nu veel geruster, wat hem blijkbaar in staat gesteld heeft een stuk van het artikel te schrijven. Van schelden is geen sprake. Overigens schrijft hij het geheel alleen; ik heb alleen maar den opzet van het ding en enkele details met hem besproken. We zijn er beiden van doordrongen dat de toon, ofschoon polemisch, rustig, hoogstens hier en daar wat ironisch, moet zijn; z.g. hartstochtelijke tiraden liggen immers algeheel buiten onze lijn. Ik geloof dat we elkaar in dit opzicht dus over en weer volkomen verstaan.*

Wat denk je van mijn voorstel van gisteren? (aangaande no 1.) Nog iets: met ‘illustreeren’ van de twee bedoelde stukken, n.l. die van Willink en jou, bedoelde ik het in den tekst zetten van een of ander cliché, natuurlijk niet een speciaal voor den tekst vervaardigd plaatje; begrijp me dus niet verkeerd. Zou je dus event, iets hebben wat je geschikt lijkt? bij je eigen stuk natuurlijk iets van jezelf, maar bij dat van W.? Het zou mij n.l. aardig lijken als ons eerste nummer reeds ‘geïllustreerd’ uitkwam.

Ons beider hartelijke groeten aan ubeiden.

Steeds t.t. DP.

 

Origineel: Antwerpen, Letterenhuis

*Ook in onze antipathie tegen het voorwoord, de door journalisten zoo teerbeminde ‘openingsrde’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie