La cosecha es sagreda (De oogst is heilig)

De ene dag rijgt zich aan de andere alsof kettinggangers in eeuwig eendere grijze gevangeniskleding van horizon naar horizon voorbijmarcheerden. Alleen brandt de zon iedere dag feller en met de toenemende hitte wordt ook de stank der onbegraven lijken steeds walglijker die de wind naar ons toewaait. Het grootste probleem is op dit ogenblik het water. Dat wat wij van de noria5 bij de commandantuur halen is reeds lang warm als 't aan de loopgraaf komt en in de beekjes staan nog slechts hier en daar een paar troebele ondiepe plassen. Bij de Casa del Cuartel is nog een bassin waarin wij kunnen baden, maar de vijand houdt de toegang tot dat bassin onder vuur en het is een soort sport om, met een onverwachte spurt en een snelle sprong, erin weg te duiken eer zijn machinege-

[p. 85]

weer tijd heeft om te schieten. De terugweg moeten we dan op onze buik door het stof afleggen.

Ik had, in het dal, ongeveer vijftig meter voor onze linies, een beschut plekje ontdekt waar nog water stond en dat bijzonder aantrekkelijk was, omdat de paardevliegen, die anders van lijken naar levenden gaan en vice versa er niet kwamen. Toen ik er enkele dagen geleden met sergeant Adolf ging baden, werden we plotseling door een machinegeweer onder vuur genomen. In de enkele vierkante meter strand spatte het zand op als in een plas de waterdruppels bij heftige regen. Adolf, die op het plekje was gaan liggen waar ik anders altijd mijn zonnebad neem, kreeg een kogel in de bil en een in zijn schouder. Ik zelf kwam er weer zonder kleerscheuren af. Niet voor niets zeggen de jongens schertsend dat kapitein Last de een of andere beschermheilige moet hebben die hem bijstaat!

 

Wij hebben nu onze ‘hogar del compatiente’ (militair tehuis) in de loopgraaf en een school waar een miliciano de la cultura les geeft en die goede resultaten oplevert. Het is ontroerend te zien hoe zij, die de letters reeds kennen, maar in de orthografie nog niet thuis zijn, zich door knappere kameraden, letter voor letter, de brieven voor laten spellen die zij aan hun familie schrijven. Voor enkele dagen kwam de oude Lopez bij mij. De kapitein moest absoluut de eerste brief lezen die hij had geschreven.

Ik las: ‘Lieve vrouw. Ik ben iedere dag gelukkiger dat ik hier ben gekomen, want hier in de loopgraaf heb ik eindelijk al die dingen geleerd die ik in ons dorp nooit heb kunnen leren’.

Een onzer vlugste leerlingen is onze kleine Pedro Nenni, maar dikwijls heeft hij geen zin en spijbelt liever als hij vrij van wacht is om in de heuvels te jagen op hagedissen en slangen. Ik liet me niet vermurwen door het stukje geroosterd hagedissevlees dat hij mij aanbood, maar strafte hem met 6 uren extra-wacht in de loopgraaf. Een paar dagen later zijn de beentjes van zijn rechterhand door een dumdumkogel verbrijzeld. Toen ik hem opzocht in het hospitaal van Valdelatas liet hij mij zijn verbonden hand zien en zei met een verdrietig lachje: ‘Het heeft niet geholpen, kapitein. Nu kan ik toch niet meer schrijven!’

Een der verdrietigste dingen die mij als kapitein toevallen is

[p. 86]

het opmaken van de lijst der verloven. Niemand weet wanneer onze compagnie eindelijk afgelost wordt en zolang dat duurt heb ik slechts het recht om iedere drie dagen twee man met 48 uur verlof naar Madrid te sturen. Bij de 140 man die onze compagnie telt kan men zelf uitrekenen wat dat betekent voor degene die onderaan op de lijst staat. Samen met de politieke commissaris heb ik de lijst zo rechtvaardig mogelijk opgemaakt, daarbij rekening houdende met betoonde moed, ijver en de huiselijke omstandigheden voor zover wij die kennen. Er zijn echter altijd weer speciale gevallen die een wijziging nodig maken: ‘Kapitein, mijn vrouw schrijft dat ze waarschijnlijk deze week moet bevallen’. ‘Kapitein, mijn broer ligt zwaar gewond in het hospitaal en kan iedere dag sterven’. ‘Kapitein, mijn moeder wordt geëvacueerd naar Valencia en zou me nog één keer willen zien voor ze weggaat’. Bijna altijd zijn hun verlangens redelijk, dikwijls zelfs ontroerend en nog nooit is het voorgekomen, dat iemand met brutaliteit of scherpe woorden zijn verlof trachtte af te dwingen. Maar de anderen die op de lijst staan, hebben er zich reeds op verheugd te gaan en hebben in de meeste gevallen reeds naar huis geschreven. Dan moet er onderhandeld worden en gepraat en het einde is meestal, dat de rechthebbende na veel zuchten en klachten zijn plaats ten slotte toch vrijwillig afstaat aan een makker.

Om het mijzelf iets gemakkelijker te maken heb ik, bij het handhaven der discipline, een eenheidssysteem ingevoerd van straffen. Voor lichtere vergrijpen een zeer eenvoudige straf, waar ze toch zeer gevoelig voor zijn: ik weiger de delinquent uit te tekenen. Hun verlangen om uitgetekend te worden is des te merkwaardiger, omdat slechts heel enkelen de tekening ook wensen te bezitten als ze af is. De meesten zijn volkomen tevreden in mijn schetsboek te staan, dat dan echter ook aan iedereen die in de loopgraaf op bezoek komt vertoond moet worden. Zo vragen dorpskinderen altijd om gefotografeerd te worden, hoewel ze zeker zijn dat ze het kiekje nooit te zien zullen krijgen. Ligt daaronder misschien de een of andere onbewuste wil tot voortbestaan verborgen?

De andere en zwaardere straf die ik toepas is, dat ik een soldaat schrap op de verloflijst en hem onderaan plaats.

Toen Magro Vacas, een van mijn beste sergeanten overigens,

[p. 87]

enkele weken geleden vergat om de morgenkoffie ook aan de schildwachten in de voorste linie uit te laten delen, moest ik wel tonen dat de wet, zonder aanzien des persoons, op onderofficieren evengoed als op de minderen toegepast werd. Tevergeefs smeekte Vacas, die een jonge vrouw in Madrid heeft, mij om deze straf door welke andere, nog zo strenge straf ook, te vervangen.

Des te meer verheugde ik mij over de order, dat alle onderofficieren, buiten de rij om, 24 uur naar Madrid moesten om zich de nieuwe, verplichte uniform aan te laten meten. Toevallig reisden we samen. Nauwelijks had ik me in de Alianza verschoond, toen ik door Vacas opgebeld werd: ‘Kapitein, mijn broer is ook over, we hebben voor de feestelijkheid een konijn geslacht en we zouden het prettig vinden als u mee kwam eten’. Het spreekt wel vanzelf dat ik de uitnodiging aannam. De tafel stond gedekt op een soort veranda die door bloeiende vruchtbomen werd overschaduwd. Alleen het doffe kanongebulder in de verte herinnerde aan de oorlog. Om de grote platte schotel waaruit we gezamenlijk aten zaten Vacas' ouders, zijn vrouw, zijn broer en een hele rij kleine schooiertjes, die dit eten blijkbaar een zo ernstige zaak vonden, dat ze hun aangeboren ondeugendheid vergaten. Zo nu en dan werd een lepel midden in de pan gezet ten teken dat de wijn rondging. Wie het dan nog waagde verder te eten eer de lepel was verwijderd, kreeg een tik op zijn vingers.

Opeens, terwijl de stemming op zijn hoogst was, keerde Vacas zich tot zijn vrouw en zei, op mij wijzend: ‘Zie je, Maria, dat is nou de wrede kapitein die mij geen 48 uur bij jou wou gunnen!’

Allen keken mij aan; nogal natuurlijk dat ik een kop als vuur kreeg. Ik zei, verlegen: ‘Je weet toch zelf, dat je je straf verdiend had!’ En Vacas, terwijl hij opstond om me te omhelzen: ‘Wat dacht je nu, kapitein, als ik niet wist dat je rechtvaardig was, had ik je immers nooit gevraagd om mijn konijntje op te komen eten!’

 

Destijds, in november, toen we nog bij de Carretera de Estremadura lagen, had ik ingezien dat een verbindingsloopgraaf dringend nodig was tussen de beide huizengroepen die we bezetten. Dat werk kon alleen verricht worden in de weinige

[p. 88]

uren tussen zonsondergang en het ogenblik dat de maan opging. Toen ik echter mijn mannetjes, die van tevoren gewaarschuwd waren, kwam halen, was de ene juist zijn geweer aan het schoonmaken, een ander warmde zijn prakkie op of zat in zijn hemd naar luizen te zoeken en het duurde zeker meer dan tien minuten, voordat ik een behoorlijke werkploeg bij elkaar had.

‘Nou, vooruit dan maar’, zeiden ze ten slotte: ‘als de luitenant het nou zo graag wil...!’

‘Niet omdat ik het zo graag wil, maar omdat jelui eigen leven ervan afhangt!’

Ze verbaasden zich over mijn haast; voor hen kon alles immers evengoed ‘manana’ (morgen) gebeuren.

Ik wond me op en zei: ‘Jelui zingen “We willen sterven of overwinnen”, maar als ze jelui vragen of je liever sterven wilt of werken, zeg jelui ook sterven!’

Daarover moesten ze lachen en toen ze een keer aan het werk waren had ik moeite ze te laten ophouden toen de maan opkwam.

Sindsdien heb ik leren inzien dat, wat ik destijds voor de traditionele ‘Spaanse luiheid’ hield, veeleer voortkwam uit een nietbegrijpen van de militaire noodzaak. Hoeveel honderden meters loopgraaf hebben wij in de laatste maand niet gegraven! Toch bleef ik overtuigd: ‘De Spanjaard maakt van het werk geen afgod, hij aanvaardt het als noodzaak maar zal toch altijd zijn siësta in de zon blijven prefereren’. Tot mijn soldaten onverwachts zelf om werk vroegen en ik de heilige werkwoede als een religieuze offervlam uit hen zag opslaan. Spanje is een boerenland en zelfs die soldaten, welke reeds jarenlang in de stad wonen, komen oorspronkelijk meestal uit de dorpen. Op de velden, die door onze loopgraven doorkruist werden, stond de algaroba (johannesbrood?) te rijpen. Telkens weer zag ik onze jongens een van de reeds gelende plantjes uitrukken en de kleine peulvruchtjes aandachtig wegen in hun harde handen. Soms, als ik voorbijkwam, reikten ze me een handvol boontjes: ‘Proef ze! Ze worden al hard. Binnen een week moeten ze het veld af, anders springen de peultjes open!’ Onze commissaris, die voelde wat er broeide, kwam me zeggen: ‘De jongens eisen dat de oogst in geen geval verloren gaat!’

[p. 89]

Ik dacht dat het een goed idee was een premie van honderd peseta's uit te loven voor de sectie die het best zou werken, maar moest al heel gauw inzien dat het volkomen onmogelijk was, onderscheid te maken tussen de ene groep en de andere. Iedereen werkte, op de een of andere plaats, ieder ogenblik dat hij vrij had. In een lange linie van oogsters vonden ze automatisch hun plaats, zonder dat enige sergeant of korporaal iets had te commanderen. Overdag in de valleien en de beschutte plaatsen, 's nachts op de heuvels. Zelfs in de heilige uren van de siësta werkten ze door, terwijl het zweet tappelings neerdroop langs hun ontblote lijven. In hun fanatieke ijver waagden enkele groepjes zich 's nachts voor onze linies om zelfs in het niemandsland de oogst binnen te halen. Ik kwam nog juist op tijd om te beletten dat de algaroba ook voor onze mitrailleursnesten weggeplukt werd, waaraan ze een vrij behoorlijke, natuurlijke camouflage verleende.

Twee van mijn soldaten werden tijdens het plukken gewond en een van mijn beste mannen neergeschoten, maar de arbeid ging verder. De vijand zal ongetwijfeld niet hebben begrepen wat ons bezielde, dat het gezang gedurende enkele etmalen geen ogenblik van de lucht was. Eindelijk kwam Fraigo Villarejo mij melden: ‘De oogst is klaar’. Hij voegde er in één adem aan toe: ‘En de jongens vinden dat u die honderd peseta's premie maar aan de analfabetenschool moet geven voor boeken’.

 

Ja, de oogst was klaar en overal op het veld lagen de gele stapels, over een van welke ik Montesino had zien struikelen, met zijn armen vooruitgeworpen, terwijl zijn bloed uit een kleine wonde neerdroop op de algaroba die hij geplukt had. Goddank tenminste, dat hij, met een schot in het hart, metéén dood was. Onze Montesino, die de zwijgzaamste van de hele troep was, maar tegelijk ook de sterkste, de dapperste en de trouwste. Daar hij niet uit Madrid kwam, hebben we hem in het veld zelf waar hij gestreden en geoogst had begraven en aan zijn graf las ik het gedicht voor van Miguel Hernandez:

 
Zonnige jeugd van Spanje
 
uw beenderen bedekken de velden
[p. 90]
 
en slechts de roem van uw daden
 
blijft als 't geruis van een beekje.
 
 
 
Verspil uw bloed in de velden
 
zonnige jeugd van Spanje
 
dat het weerkeer als sap der olijven
 
dat uw beenderen worden tot eiken.
 
 
 
Bloed dat zich niet durft verspillen
 
jeugd die zich niet durft te offeren
 
is geen bloed en is geen jeugd
 
kan niet blinken en kan niet bloeien.
 
 
 
Wie overwonnen wordt geboren
 
wordt oud geboren en stervend
 
komt met de ouderdom van eeuwen
 
en was oud eer hij werd geboren.
 
 
 
Altijd dringt de jeugd naar voren
 
de jeugd zal altijd overwinnen
 
als de toekomst van Spanje bedreigd wordt
 
zal de jeugd van Spanje haar redden.

De oogst was klaar, maar nog altijd was de oogst niet binnen. Aan de horizon, achter de Sierra, trokken zich loodgrijze wolken samen, de stapels op het veld werden geler en geler en de soldaten zeiden: ‘Wanneer er nu regen komt, springen de peultjes open en is alle werk verloren!’ Minstens een dozijn keren per dag telefoneerde ik met de commandancia, maar kreeg altijd hetzelfde antwoord: ‘Vrachtwagens kunnen zover niet komen, karren hebben we niet en de ezels die men ons beloofd heeft zijn nog steeds niet gekomen’. Tevergeefs zond ik onze commissaris twee keer naar het Pardo. De gezichten van mijn soldaten stonden donkerder en donkerder en tot overmaat van ramp begon die avond een fijne motregen te druilen.

[p. 91]

Ik zat in mijn hut en vloekte machteloos op de ezels in het Pardo die geen ezels wilden zenden. Felippe waarschuwde mij dat er een deputatie van de soldaten was om mij te spreken. De oude Lopez zei met zijn langzame stem:

‘Als de algaroba vochtig wordt en er komt dan zon, springen de peultjes open en is de oogst verloren. Maar als allen meewerken kunnen we haar in één nacht wegdragen tot waar de auto's komen, in onze dekens. De manschappen laten vragen of u het goedvindt’.

Het was een tamelijk zware verantwoording want de plaats waar de auto's kwamen lag meer dan een kilometer achter onze linie. Ik zond een paar patrouilles uit en overtuigde me dat alles rustig was aan de kant van de vijand. Wanneer ze die nacht aangevallen hadden, zouden ze tien man in de loopgraaf gevonden hebben, al de anderen waren in het veld en sjouwden, vier aan vier, dekens vol algaroba. Maar de oogst kwam binnen.

5Put met waterrad.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie