Soejitno Mangoenkoesoemo
aan
E. du Perron

Buitenzorg, 23 januari 1939

B’zorg 23 Januari

 

Beste Ed,

Eerst tegen Donderdag e.k. kan ik op Bandoeng zijn. Ik denk een klein hotel dicht bij het station te logeren en je in de loop van die dag op te zoeken.

Ik heb een lang gesprek gehad met Takdir o.a. over zijn boek Lajar terkembang en de ‘taak’ van de schrijver. Ik vertelde hem dat ik bij ’t lezen van zijn boek (voorzover mijn gebrekkige kennis van ’t indonesies mij daartoe veroorloofde) de indruk kreeg dat hij zijn figuren tekende volgens een bepaald [orkesta], d.w.z. dat hij zijn personen zekere eigenschappen heeft toegekend en ze vervolgens daarnaar laat handelen waardoor ze iets hebben gekregen van levenloosheid. Ik zei hem dat mij een gevoel bekroop van bij een wajangvoorstelling te zitten, waar ik naar een dalang luisterde die bezig was zijn poppen op te voeren. Als daar vertegenwoordigen z’n personen bepaalde typen. Is de een representant van de moderne tijd, de andere is dat voor ’t traditionalisme en konservatisme, en terwijl deze met allerlei goede eigenschappen is uitgerust, is gene een ijdele kwast en snob, enz. Er is in hun optreden een zekere wetmatigheid of regelmatigheid, die ons wel toestaat de oplossing der vele problemen, waarvan zijn boek gewaagt, in een bepaalde richting te voorzien, maar ons tegelijk onthoudt van ‘verrassingen’, die in de gekompliceerde menselike psyché kunnen liggen en het verhaal van een mensenleven zo uitermate boeiend kunnen maken. Ik zei hem voorts dat terwijl ik de tendens van z’n roman toch volkomen begrijpen en rechtvaardigen kon, hij me toch niet pakken kon.

Hij voerde aan dat deze vorm van zijn roman, gezien in ’t licht van zijn Tijd, hem niet anders dan als juist kan voorkomen. Wij verkeren volgens T. nog in een ‘dinamiese’ periode, waaronder hij verstaat een overgangstijdperk, waarbij een trage, ja immobiele ‘massa’, mobiel moet worden gemaakt d.i. vatbaar gemaakt om een idee te begrijpen, daarvoor te strijden en haar te doen overwinnen. Wat hem dan ook tot ’t schrijven van zijn roman dringt is altijd de verkondiging van een idee, met name van de problemen van z’n tijd en hoe die zouden kunnen worden opgelost. Daartoe kiest hij (van zovele mogelikheden) sterke ‘persoonlikheden’, die hij de lezer wil doen kennen van zijn sterkste zijden. (mijn bezwaar dat hij op die manier geen mens ‘volledig’ kan beschrijven en weergeven, omdat een mens sterk en toch tegelijk op andere manier zwak kan zijn, deed hij ‘teniet’ door te zeggen dat als hij dezelfde man ook van zijn zwakke zijde wil beschrijven hij een andere roman nodig zal hebben. De suggestie die er van ’t beeld zal uitgaan, zal er daar te meer door winnen; in dezelfde mate als de schoonheid van een bloem vertroebeld wordt door de gedachte aan de modder waaruit zij is ontstaan: men moet de bloem van de stengel lossnijden om haar geheel te kunnen genieten. ‘U houdt een levenloze bloem in de hand’, zei ik. ‘Waarom?’ vroeg [ ], een vraag waarop ik geen antwoord wist.) Ik argumenteerde dat ik tegen de verkondiging en uitwerking van een idee niets heb, mits zij plaats heeft in een pamflet of wetensch. werk. Ja zelfs haar uitwerking in een roman zal deze nog boeiend kunnen maken, als de weergave van de uitwerking van de idee in de harten der ‘ideëndragers’ maar naar waarheid geschiedt ̶ zonder verwaarlozing dus van de rijke gevarieerdheid en gekompliceerdheid van de menselike psyché. Want ook hier immers komt het er op aan mensen te tekenen. Ik noemde als voorbeeld: Malraux’ menselik tekort.

Hij: Voor zoiets hebben wij voorshands geen tijd. Het gaat er niet allereerst om een mens te tekenen maar een idee ingang te doen vinden. De zwakheid van Malraux’ roman ligt in ’t te grote psichol. detail. Onze literatuur naar westerse maatstaven afmeten is hierom af te raden omdat ’t westen in een ‘staties’ tijdperk verkeert: de westerse literatuur bezondigt zich aan een teveel uitpluizen van de psichologiese gesteldheid van een mens, terwijl ’t voor ons aanbevelenswaardiger lijkt om ons te beperken tot t geven van tiperingen.

Het ‘pamflettisme’ in een roman schijnt onder ons buitengewoon gewild te zijn. T.’s boek wordt grif verkocht, het beleeft in een jaar tijds zijn tweede druk, van 1000 eks. per druk. Vooral de dames zijn er heel goed over te spreken.

Ziehier, een andere onverwachte en onvoorwaardelike getuigenis, naast die van Soewarsih Dj., van de juistheid van je zienswijze dat wij ons bevinden in een stadium dat wij ons meer bekommeren om het ‘wie en wat’ en minder om het ‘hoe’ er beschreven wordt. heb ik ontvangen, Dajok ook. Ik vind ’t heerlik, als trouwens al je geschriften; samen met De man van Lebak en Mult. tweede pleidooi spreekt er zo zeer een toon van liefde uit voor al wat waard is om verdedigd en hooggehouden te worden, dat je me steeds méér reden geeft om van je te houden. Vergeef me overigens deze sentimentele ontboezeming.

Inderdaad schijnt men ’t meest behoefte te hebben aan ‘stichtelike’ lektuur, aan de man die ’t voorbeeld geven kan, die behalve daadkrachtig, organisator, politikus, ekonoom en sociaal werker tegelijk is. Ik heb er eigenlijk niets op tegen dat men een dergelijk ideaal op na houdt; eerlik gezegd koester ik voor een Lenin een grotere bewondering dan bv. voor een Shakespeare. Ik heb echter wel bezwaar tegen hun zieleherder-eigenschappen ̶ ze menen nl. recht te hebben je leven in te richten. Je hebt je op te offeren aan de gemeenschap, de noden en behoeften van ’t volk trachten te bevredigen enz. In wezen hebben ze misschien gelijk. En in feite voel ik me egoïst wanneer ik tracht mijn eigen waarde te realiseren en zoiets ’t uitleven van eigen behoeften met zich mee brengt. Op zulke momenten overvalt je dan ’t gevoel, alsof je een ‘geschenk’ (dit leven) hebt gekregen, waarmee je niet recht weet wat aan te vangen. Maar tegelijk met ’t besef dat je niet jezelf kan bevredigen met negatie van ‘behoeften en noden’ van tijd en omgeving, heb ik ’t gevoel dat juist die zelf-bevrediging en -verwerkeliking op de lange duur van de grootste waarde kan blijken te zijn. De aanvaarding van de rol van egoïst voor ’t ogenblik schijnt nodig, om eigen wegen te kunnen inslaan.

De smalle mens en De man van Lebak heb ik ontvangen. Mag ik er je heel hartelik voor danken? Ik heb behoefte aan een contraprestatie. Zou je me willen vertellen op welke manier ik je van dienst kan zijn?

Met hartelike groeten van huis tot huis. Steeds je S.

 

Kopie: Universiteitsbibliotheek Leiden

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie