E. du Perron
aan
J. Pée

Den Haag, 10 januari 1940

Den Haag, 10 Jan. '40.

 

Zeer geachte Heer Pée,6614

Sinds lang had ik u behooren te schrijven. Ik ontving in Indië uw verschillende boeken, via D.D., en zond u mijn Tweede Pleidooi, dat u toch gekregen zult hebben, maar tot schrijven kwam het niet. Ditmaal wil ik niet dralen met antwoorden.

Allereerst: dank voor de tip betreffende dat Congo-boek.6615 Ik zal 't aanvragen, hoewel ik niet zeker ben dat ze 't zenden zullen.

Ingesloten ('t hoeft niet terug!) het concept van een complete Multatuli-uitgave waarvoor dr. G. Stuiveling de W.B. tracht warm te maken. Daarvoor zouden wij graag ook uw medewerking hebben, om het zoo compleet mogelijk te maken. Met portretten ook en goed gedrukt op goed papier, en zonder drukfouten! Het zal een heel werk worden, als het doorgaat, maar ik vrees... Ik voor mij zou ook liever 12 dln. hebben van ± 300 blzn. elk inpl. van 5 dln. van 800 à 1000 blzn. Maar dat moet de W.B. beslissen. Als ze willen, en ze geven 3 dln. per jaar, zouden we in 4 jaar alles compleet hebben. Het moment lijkt me niet ongunstig, met al die razende schoondochters en zoo.

Ik schrijf, sinds eendag of 5, 6, een soort antwoord op dat fatsoensdirage, de lady van Leggeloo, en als ze niet uiteenspat van beleedigd mevrouwschap na lezing daarvan, zal 't niet mijn schuld zijn. Ik doe dit minder tegen haar, dan tegen het soort menschen dat zij vertegenwoordigt. Hoewel ik haarzelf ook wel heel erg vind, zelfs in het soort. Alleen, ik kan niet ontkennen dat u, en ook Ter Braak, haar wel tot het uiterste gebracht hebben met dat ‘portret’ van Edu. Persoonlijk kan ik de behoefte om dien armen kerel, die 't in zijn jeugd toch inderdaad flink beroerd heeft gehad, zoo onbarmhartig te bezwaren, niet deelen, en een ‘raté’ is hij toch uitsluitend in het artistieke; maatschappelijk is hij juist bewonderenswaardig goed ‘terechtgekomen’.

De getuigenissen, door u gepubliceerd, vooral van die Goudsche leeraren, waren altijd uiterst précair (op die manier kan je letterlijk iedereen als non-valeur en schavuit laten veroordeelen, want dit soort menschen en de lady van Leggeloo is één pot nat). De manier waarop ze u, na één sommatie van een advocaat, in den steek laten, is trouwens geheel logisch. Het eenige getuigenis dat ik au sérieux nam, was dat van Götze, en helaas, de man blijkt al niet veel flinker te zijn. Rest de brief van Edu zelf uit Saronno (dien ik dezer dagen in het oorspr. fransch ben gaan copieeren in Amsterdam) en die is wel raté-ig, dat valt slecht te ontkennen.

Ik heb over die verhouding Multatuli-Edu zoo mijn ideeën, - waar u 't wschl. niet, of niet geheel, eens mee zou zijn, maar als ik u die nu allemaal schrijven moest, schreef ik u een cahier inpl. v. 2 zijdjes. Dat moet u dan maar in mijn repliek op het waarheidsboek lezen. (Ik vraag me af waar ik die uit moet geven, maar dat komt terecht; voorloopig schrijf ik maar. De titel zal zijn: Multatuli en de Luizen.)

Ter Braak heeft er schoon genoeg van; ik ben ‘versch’, daar ik in Indië zat toen die rel in Het Vaderland6616 ging; bovendien is mijn positie in dezen iets sterker, omdat ik mij tot dusver met deze uiterst glibberige familiezaak niet heb ingelaten dan in één artikel, aan uw boek gewijd. Ik hoop overigens van harte dat de verdere strijd, ook tusschen u en die lady, niet bijna uitsluitend zal neerkomen op zwartmaken van den vader om den zoon witter te doen afsteken en andersom. Dat is natuurlijk te doen; maar is het mogelijk, dat iemand gelooft dat in dit wit-zwart-contrast een waarheid, laat staan de waarheid, zou liggen?

U bent, hoop ik, nu toch niet bezig om dien mr. Tromp Meesters een werkelijke ‘waarheidzoeker’ te vinden? Ik voor mij geloof dat de geest van Multatuli, voorgoed gedégoûteerd van dat individu na zijn lijkschennerswerk met dat testament en zoo in Nieder-Ingelheim, hem met auto en al in den Rijn heeft geduwd; als het niet zoo was zou het jammer zijn, waar we te maken hebben met den geest van den man die Droogstoppel in koffie liet verdwijnen. Enfin... die mr. T.M. is voor mij een pias. Alleen 's mans proza over zijn verloren idool, nadat hij (n.b. als Multatuli-bewonderaar!) voor 't eerst M.'s Brieven gelezen had, zou me voorgoed van den man afkeerig maken. En dan dat gezwam nog over het portret van Mme Lamber (Adam) dat meer op het portr. v. Tine geleken zou hebben dan op een ander portret van die actrice zelf. Kom kom, zulke grappenmakers zijn bezig òf zichzelf òf anderen te bedotten.

Tot zoover. Ik geloof dat de zaak er ‘netelig’ uitziet, maar ben niet van plan die Multatuli-vreter het laatste lachen te gunnen. We zullen zien, over een maand of 3. Met vriendelijke groeten, gaarne uw

EduP.

6614Dr. Julius Pée (1871-1951), oud-prefect van het koninklijk atheneum in Brugge. Hij gaf de brieven van Tine uit, Multatuli en de zijnen en bezorgde een bloemlezing uit Multatuli.
6615Niet achterhaald.
6616Op Ter Braaks artikel in Het vaderland van 18 februari 1937 (av.) was een nasleep van ingezonden brieven gevolgd, o.a. van Annetta Douwes Dekker-Post van Leggeloo, Julius Pée en S. Tromp Meesters, zie ook Bw TB-DP 4, p. 493-496 en De waarheid over Multatuli en zijn gezin, p. 469-490.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie