E. du Perron
aan
J. Greshoff

Bandoeng, 8 april 1939

Bandoeng, 8 April, '39

 

Beste Jan,

Wat heb ik nu aan lange brieven over het voogdschap over Gille, wanneer het meest noodige - geld - zoo versloft wordt? Ik dacht sinds Januari dat mijn verdienste aan Gr. Nederland tenminste geregeld naar Jean de Sturler ging; dat ik op dat weinige tenminste ver-trouwen kon! Daarnet krijgt Bep een brief van Pepi - niet alleen vol ergernis over Simone (die n.b. mij om meer geld vraagt!), maar ik moet bovendien hooren dat ik over de f 120. schuld heb aan de DeSturlers, omdat er niets van Gr. Ned. is binnengekomen.* En we schrijven 8 April, zoodat er 4, althans 3 porties Van Haren afbetaald hadden moeten zijn.

Rara, hoe zit dat? Willen die heeren v. H.&W., na mij mijn gevraagde revisie niet te hebben gezonden, nu misschien ook de v. H.'s in hun blad gratis hebben?

Waarom schrijf jij mij daar met geen kik over? Is dàt nu de toch al zoo ongelukkige kleine belangen behartigen van een vriend? Je kunt v.d. Veen, Dubois, iedereen helpen; Simon kreeg toch zeker prompt zijn copie in Gr. Ned. uitbetaald, de eene lange roman na de andere; waarom moet mij dit overkomen, de eerste keer dat ik er eens iets langers in krijg? Ik had zóó gehoopt op dit punt althans gerust te kunnen zijn.

We zullen nu van hieruit f 200. aan Jean en Pepi zien te zenden, maar werkelijk, ik vind dit beroerd! Ik zal naar Europa teruggaan en Gille bij mij nemen. Maar en attendant, waarom moeten zulke dingetjes spaak loopen?

Ik zond je 3 stukken voor Holl. Weekbl.; je dankte ervoor en ik hoorde en zag niets meer. Zijn die stukken niet te gebruiken - ik zie met verbazing dat je anders al niet terugdeinst voor geregelde medewerking van Casimir, waaronder die groteske brief aan Hitler6029 - zend me die dan terug. Misschien kan ik er elders wat geld van maken. Ik kàn niet tegen een behandeling van: ‘er wordt over je beslist in diepe stilzwijgendheid’. Waarom me niet even geschreven dat je die copy niet gebruiken kon of wat ook?

Stuur me die stukken nu alsjeblieft terug. En als H. en W. me een loer wil draaien met die copy in Gr. Ned. en jij, Jan v.N. of een ander kan dat niet beletten, neem dan alsjeblieft een advokaat die ze aanschrijft om dat geld naar Jean de St. te zenden en die er zoonoodig een zaak van maakt.

Dit is een rotbrief, maar ik maak me hier ongerust, en dat komt omdat je, sinds Januari, me laat veronderstellen dat alles goed gaat en dit zoo laat loopen. Morgen ben je in Z. Afrika en de v.H.'s zijn afgedraaid en H. en W. zeggen verrek tegen me. En ik, die gedacht had althans dit beetje verdiend te hebben, na alles wat mijn longontsteking enz. ons gekost heeft.

Ik verdien op 't oogenblik zoo goed als niets, laat dan het weinigje dat ik verdien me geregeld worden uitbetaald.

Tot zoover. Later beter. Beste groeten van je

E.

*Pepi schrijft: ‘ondanks al de geruststellingen van Greshoff.’
6029Prof. R. Casimir, ‘Open brief aan Zijne Excellentie Adolf Hitler, rijkskanselier en leider van het Duitsche rijk’. In: Het Hollandsche weekblad 7 (1939) 12 (25 maart 1939) p. 1-2.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie