E. du Perron
aan
J. van Nijlen

Brussel, 15 april 1931

Brussel, Woensdagmiddag.

 

 

Beste Jan,

De tocht naar Gistoux is met 10 dagen, althans met een week uitgesteld. Ik zie mijn moeder niet zoo gauw gaan, het afscheid van Ina doet haar natuurlijk toch wat en zij is ook overigens vrij slap. Zoo'n ritje van 36 K.M., uiterst langzaam, is een heele onderneming, vooral na de inpakkerij.

Je kunt dus nog wel een avond hier komen, als je wilt. De wandeling naar de taxi is mij toch opgebroken, ik heb weer heftig gehoest en ben gisteren en eergisteren weer in bed moeten blijven. Maar vandaag is het alweer veel beter.

Schrijf me dus nog als je komt.

Ik heb L'Ombre du Caudillo gelezen. Het is in menig opzicht toch voortreffelijk, en verdomd goed geschreven. Die vriend van Aguirre, meneer Axkana was mij zeer sympathiek.

Aan de ommezijde vind je het poëem dat ik je aankondigde, à la Les Cydalises. Ik noem het Pastiche romantique1722 en geef het aan Helikon.

Tot ziens. Hartelijke groeten van je

E

 
Waar is de korenblonde?
 
Vervlogen en vergaan!
 
Heeft niemand uit de tombe
 
haar lichtend op zien gaan?
 
 
 
Haar lippen bloedkoralen,
 
haar voorhoofd van albast -
 
O, vloek der manestralen
 
over het wuivend gras!   of, over het zwijgend gras (Wat is beter?)
 
 
 
Haar lippen bloedrobijnen,
 
haar tanden wit en wreed -    of: scherp en wreed?
 
O, gruwelvolle rijmen
 
waar niemand meer van weet!
 
 
 
Waar is de korenblonde
 
begraven in het land?
 
Zij, die haar weelde schonden
 
zijn grijs en uitgebrand.   Of: zijn oud en uitgebrand?
 
Vervloekt, verlamd, vergeten,
 
Ontluisterd door het kwaad.
 
Vijf dooden en één leven:
 
haar hoonend, bleek gelaat!
 
 
 
Of: drie doden? Dat is misschien genoeg?
 
En wat denk je van, in de slotregel:
 
‘haar nooit verzoend gelaat!’

1722Later ‘Pastiche-Nerval’ genoemd (Met enige wijzigingen in Vw 1, p. 90).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie