E. du Perron
aan
W.A. Kramers

Brussel, 28 maart 1931

Brussel, Zaterdag.

 

Beste Wynand,

Als je je vriend de Lange dezer dagen ziet, bedank hem dan voor het omslag van Vera Figner dat hij mij gestuurd heeft. Ik ben druk bezig de Lenin te bestudeeren en zal direct daarna Vera te lijf gaan, zoodat - als ik de besprekingen niet te lang maak (wat alweer in jouw lijn is), ik je de twee tegelijk kan bezorgen voor het Mei-nr. Dat is zeker wel goed.

Wat is die Jef Last een lul-met-vingers!1652 Zelfs als ‘revolutionair’ het doodschoppen niet waard, vooral als zoodanig niet. Als ik weer eens tijd heb, en over het noodige materiaal beschikken kan, zal ik die z.g. ‘revolutionaire’ literatuur van ons eens bespreken - volgend jaar of zoo! - en eens kijken of hij daar dan nog wat van terug heeft. Het is de Gartenlaube van de revolutie, dat bocht van die kerels; er is er, geloof ik, niet één die de ‘proletarische’ kracht van Speenhoff bereikt! En dat weeïge gelul over technische dingen - God God, wat een groot zeiler (en zeeman) moet die meneer Last zijn! Maar van de keuken heeft hij minder benul, anders zou hij toch minstens moeten wenschen dat zijn prollen broertje de Jong1653 schreef: ‘De vingers stuk gewreven (of geschuurd) op pannen van mevrouw’ (inpl. van ‘gestooten’). Waar de techniek iemand al niet brengen kan.

En het antwoord van Donker was goed - vooral tegen het eind - maar toch 3× te deferent en te labbekakkig.

Ik ben hier slaags geraakt met de katholieke smakkers van De Standaard, die mij voor alles en nog wat hebben uitgescholden omdat ik mij spottend heb durven uitlaten over hun bleeke heros Wies Moens.* Ik ben zoo idioot geweest te antwoorden - met het gevolg dat ze niet meer dan één zinnetje uit mijn verweer hebben overgenomen, met, natuurlijk, nieuw commentaar. En geen D.G.W. of Vr. Bl. of wat dan ook hier, om mij tot ‘orgaan’ te dienen. Daarom niet getreurd. Er bestaat in dit land, Goddank, een recht-van-antwoord, en overmorgen, of Dinsdag uiterlijk, zijn ze verplicht mijn repliek integraal te plaatsen; want ik heb ze den advocaat op hun dak gestuurd. Anders dokken ze 20 florijnen (ja! geen francs) voor iederen dag dat ze te laat zijn. Mijn antwoord is volkomen correct, maar blijkbaar zóó dat ze er verdomd weinig voor voelen het in hun eigen strontkrantje af te drukken. Eenmaal dit antwoord geplaatst, mogen ze over me voortkwaken wat ze willen.

Ze zijn natuurlijk ontzettend nobel en ‘fatsoenlijk’ - en ik het tegendeel. Ah, Dieu merci!...

Het doet mij plezier dat Bolhuis zijn bakhuis opeengeperst houdt. Het grapje zal hem heugen.

Overigens wordt er, zie ik, nog steeds braaf gedebatteerd in je Winckel - ondanks het overlijden van den Stichter1654 zelfs, die toch zoo'n net man was ook, volgens neef Maurits.

Nu, beste, hoû je taai en van harte tot nader.

Je E

1652In DGW van maart 1931 reageerde Jef Last in ‘Revolutionnaire poëzie’ op de gelijknamige ‘Kroniek der poëzie van Anthonie Donker in het januarinummer. Donker had de arbeiderspoëzie van geringe kwaliteit geacht. Last beschouwde Donkers standpunt als burgerlijk en ontoereikend om relevante kritiek uit te oefenen. Tevens beschuldigde hij de burgerlijke dichters (o.a. Marsman en Slauerhoff) ervan, de technische details van de zeevaart in hun poëzie te verwaarlozen. Donker vroeg in het slot van zijn betoog om ‘taalkracht’ in de revolutionaire poëzie.
1653Last vond in een gedicht dat David de Jong over een dienstmeisje geschreven had in Tijdsignalen de regel ‘De handen stuk gestooten op de pannen van mevrouw’ heel wat zuiverder van medelijden dan Slauerhoffs ‘De dienstmaagd’.
*In mijn polemiek met Marsman.
1654Gerard van Eckeren (ps. van Maurits Esser) herdacht in het maart-nummer van DGW F. Smit Kleine, een van de oprichters van het tijdschrift.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie