E. du Perron
aan
R. Herreman

Brussel, 14 februari 1929

Brussel, 14.2.29.

 

Beste Herreman,

Dank voor het toegezonden artikel dat ik gisteravond ontving.515 Jan. Gr. kan je er moeilijk over gesproken hebben, omdat hij het heelemaal niet kent! Wat hij met je besprak betrof dus misschien je eerste bespreking van de cahiers, maar ik geloof veel meer die enkele tirade over ‘de Harde Dood’ in de bespr. van Erts.516 Ikzelf trouwens kan je waarlijk niet feliciteeren met die formule van een zoo specifiek-Nederlandsch verwijt; bovendien leek mij het moment slecht gekozen. Maar ik ben partijdig, want ‘de Harde Dood’ is zoowaar één van de weinige Nederl. gedichten - (van àlle tijden!) - die ik zelf zou hebben willen schrijven, en door een gelukkig toeval is mij dat gebeurd. Ik heb mij de oogen ook uitgewreven toen ik zoo erg veel goeds las van die twee vertalinkjes van Jany (die hij ongetwijfeld zelf als fonds-de-tiroir beschouwt), van de ‘fulgurante oproep’ van Coster (of is dit een zwaar-giftig sarcasme?) en van je verlangen naar andere prulgedichtjes van de heer Van de Voorde.517 Maar natuurlijk, dit alles is een kwestie van smaak, zal je zeggen... Intusschen, je vraagt me poëzie, en ik vrees dat ik nooit iets beters dan die ‘Harde Dood’ zal kunnen leveren. (Dit dreigt dus op een treurig te-kort in kas uit te loopen.)

Begrijp mij wel: ik vraag niet direct bewonderd te worden - noch aan jou noch aan mijzelf. Bewondering trouwens hebben wij voor zoovéél scribenten; ik ben geheel bereid Boutens en Henriëtte-je-weet-wel te bewonderen, als ik ze maar niet hoef te lezen. Maar verdomd, ik zou het onaangenaam gevonden hebben als een ander die ‘Harde Dood’ had geschreven.

Ik zou, onder ons gezegd en gezwegen, nog ‘De Ontkomen Zwerver’518 hebben willen schrijven, ‘De Renegaat’ van Slauerhoff en dit kwatrijn van denzelfde:

 
‘Or, le dédain superbe de s'en aller
 
En souriant, le long du précipice,
 
Au charme paisible de la vallée,
 
Vaut bien le Bonheur et tous les délices.’

(Het komt voor in een plaquette Fleurs de Marécages, dat bij Sander staat te verschijnen.)

Voor de rest* wil ik alle overgangen voelen tusschen bewondering en kokhalzen. Er zijn trouwens heusch vele oogenblikken waarin ik andere horizonten zie dan die van de literatuur, of - om met jou te spreken - van het journalisme. Ik bedenk daar dat ik je misschien zou moeten bedanken voor al de complimenten die je me gemaakt hebt over mijn journalistieke volkomenheden. En de onvolkomenheden van mijn geschrijf (die, laat me je het geheim openbaren, de onvolkomenheden zijn van een ‘conversatie’) maken dus een goede ‘reportage’? (Tusschen haakjes, wie van ons beiden wordt verneukt: UEd. of MijnEd.?) Mijn beste, ik heb in Indië vier maanden aan de journalistiek gedaan, en men heeft mij zelfs dààr een hoogst volkomen journalistiek prùl bevonden.

Ik schrijf je dit alles omdat ik het je vooreerst toch niet had kunnen zeggen. Ik ben uit Holland gekomen met een ‘gedegen’ (trouwens Hollandsche) griep, waar ik nog altijd niet bovenop ben gekropen. De eerste tijden zal ik 's avonds dus wel niet uitgaan en begin volgende maand keer ik naar Gistoux terug.519

Voor het geval je Cahier 4 bespreekt, mag ik me van tevoren voor een ex. gerecommandeerd houden? Dank ook bij voorbaat, en geloof me, met beste groeten, gaarne je

EduP.

 

P.S. - Wat mijn paradoxen, overhaastheden en andere naïveteitjes betreft: àls ik een cahier 5 uitgeef, wil ik ze daarin wel even verklaren.520 Mijn stijl is soms elliptisch, maar, ik geloof, zelden onlogisch, en ik let meer op den inhoud dan je vermoedt.

Bijv. die phrase over Gide: ‘Zijn lezing was middelmatig: mogelijk ook aan de Belgische mentaliteit aangepast.’ Elliptisch misschien, omdat daartusschen had kunnen staan (maar ik veronderstelde het als bekend en het was mijn goed recht, après tout) dat iedere Franschman die in Brussel komt lezen zich minstens een dozijn keeren afvraagt: ‘Qu'est-ce qu'on peut bien raconter à ces Belges-là?’ - Er is zelfs een Fransch acteur die Cyrano op een bepaalde manier speelt voor Belgische ooren, de heer Aragon geloof ik (Jean, niet Louis, mogelijk ook met twee r's); die heer speelt in Brussel, tot zijn grootste succes, Cyrano au ralenti. Ik geef je dit ééne staaltje. Ik laat dààr of die mensen gelijk of ongelijk hebben, ik heb alleen rekening gehouden met die opvattingen, bij het beschouwen van een Franschen conférencier in Brussel, al was het dan ook Gide.

Andere phrase, door jou geciteerd als bewijs van (goede) reportage: ‘Ik voor mij vind het bijna jammer dat de belangstelling van Gide voor Afrika’ enz. Ik ben bepaald zoo naïef de naïveteit van die phrase niet in te zien. Het is de uitdrukking van een persoonlijk gevoel, waar je het best niet mee eens kunt zijn, maar wat ter wereld heeft het te maken met ‘reportage’?

(Maar ik scheid er hier mee uit, of je zou dit p.s. een goed krantenartikel gaan noemen.)

Hernieuwde groeten.

EduP.

 

P.P.S. Zou je Roelants willen vragen mij een nr. te zenden van den eersteling van Vandaag?

 

Origineel: Antwerpen, Letterenhuis

515Niet teruggevonden (vgl. brief 236).
516Waarschijnlijk besprekingen in de NRC.
517‘Liefde's aanblik’ (naar Rossetti) en ‘Geen tweede Troje’ (naar Yeats); ‘Hervonden werkmanschap’; ‘Drie onlustige liedjes’.
518Gedicht van Roland Holst.
*We hebben het nog altijd over Nederlandsche poëzie.
519Vanaf 10 Maart dus (ongeveer) is mijn adres: Château de Gistoux, Chaumont-Gistoux.
520In Cahier 5 ging DP uitvoerig op H's kritieken in (Vw 2, p. 145-151).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie