E. du Perron
aan
R. Houwink

Parijs, 11 juni 1927

Parijs, 11 Juni XXVII.

 

Beste Houwink,

Je brief heeft mij hierheen gevolgd: ik ben niet als jij, ik kan het landleven bizonder slecht verdragen. Misschien heb ik er teveel mijn bekomst van gehad in mijn kinderjaren; en ook, in mijn tegenwoordig leven (waarmee ik bedoel: sedert 6 jaar) is het aan nietsdoen geen gebrek, wat ook een aardige omkeer brengt in iemand's ‘lusten en neigingen’. En ik heb weer wel met je gemeen dat de literatuur achter de schermen mij nooit goed bezig-gehouden heeft: ik ken in België twee of drie dichters die ik nog geen tweemaal op een jaar zie, en in Holland jou alleen, dien ik nooit gezien heb (behalve op een portret bij Peeters en op een teekening in D.G.W. van Wybo Meyer) en met wien ik correspondeer - je weet in welke mate. Ik zou nog altijd lid moeten worden van het een of andere Vlaamsch Literair Genootschap; - er is zelfs in Brussel zooiets, geloof ik, maar ik moet er den eersten stap nog zetten. Mijn kleine ondervinding op dat gebied heeft mij veroorloofd op te merken dat een schrijver, alleen genomen, wel eens aangenaam kan blijken te zijn, maar dat een verzameling literatoren bepaald niet aan te hooren is. Ik heb kameraden die ik ieder afzonderlijk had leeren apprecieeren op slag onuitstaanbaar zien worden omdat ze tegenover elkaar in hun rol van ‘schrijver’ kwamen. Ik spreek nu over Belgen en Franschen, maar het zal overal elders wel hetzelfde zijn. (Het resultaat van een en ander is geweest Het Boozige Boekje.) - Mijn Hollandsche vriend Willink, die in Amsterdam woont, vertelde mij vroeger dat hij wel eens getuige was geweest van bijeenkomsten van ‘De Distelvinck’ - ik heb ééns geweten in welke societeit - ‘maar het grappige was, vertelde hij, dat je er altijd de bijmannen druk zag doen: de dikke mijnheer Kelk, en een paar studenten als Campert, Binnendijk en Scholte; maar Marsman, Slauerhoff en Houwink ontbraken meestal’. (Ik geef je het verhaal zooals hij het mij gedaan heeft.)

Jij die nu zegt, ‘het wordt benauwend zooveel te willen en zoo weinig te kùnnen’, geloof je dat je, in mijn omstandigheden verkeerend, voortdurend literair werkzaam zou zijn? Ik niet. Quand on se laisse envahir par la paresse... zei LaRochefoucauld; ik heb het op mezelf waargenomen. Ik zou tien, twintig maal meer kunnen doen dan ik doe, maar ik voel me meestal met behagelijke lamheid geslagen. En bovendien, het is maar goed ook dat de een of andere reden ons belet een fabriek van copie te worden. Stel je voor dat je werd als Querido, of zelfs als Scharten-Antink.

Je uitspraak over het boek (van Watteyn, m'n waarde, niet van Perkens!) wacht ik met zooveel geduld af als je zelf maar wilt. Misschien vertel je me dat zelfs mondeling, als ik in September een glas port bij je kom halen; ik zit dan eerbiedig tegenover je, kijk naar mijn schoenen, en waag af en toe een schuchter glimlachje... In afwachting dank voor dit briefje, waarmee je me toch weer een beetje op de hoogte hebt gehouden, en voor het nieuwe adres. Laat ons nu zeggen: tot ziens! en een ferme hand van je

EdP.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie