[p. 195]

Europees verlof 1852-1855

1

Medio September 1852 vertrokken Dekker en Tine weer uit Batavia om met de Harmonie de reis naar Holland voort te zetten: ‘het kleinste schip dat om de Kaap voer’, vertelde hij later aan Mimi. ‘Zijn vrouw en hij waren de eenige passagiers. De eerste stuurman was dikwijls dronken, en om den bejaarden kapitein de rust te gunnen die deze volstrekt behoefde, hield Dek menigmaal de wacht.’ De zeereis, het gevoel vrij te zijn van zijn gecompliceerde ambtsbezigheden, hadden hem spoedig opgeknapt.

De boot deed 11 November Sint-Helena aan; Dekker noteerde: ‘De wind van de Kaap naar St. Helena tegen verwachting tegen. Anders 12 dagen nu 17. - Illusièn van St. Helena. - Verveling aan boord. - Aankomst in opgewonden stemming. - Lugubre aanzien der klippen. Overal forten, goed onderhouden, niet zooals Ambon, Banda, Menado etc. Stad Jamestown in de kloof; schijnt zich uit te breiden. Bevolking allerlei; alles spreekt Engelsch; dit klinkt onaangenaam. - De stad heeft een net voorkomen, juist als uit een speeldoos, popperig en net, vooral met de roode soldaten als ze op den bergweg loopen’.

Zij gingen aan wal en werden daar afgezet door zekere Salomons, ‘hotelhouder en tegelijk consul van vele rijken. Zijn agent was ook kellner en ergerde Dek door 't voortdurend gerammel met een zwaren gouden horlogeketting. Hij en Tine brachten acht uur in 't hotel door. Zij aten er, dronken thee, maakten een toertje naar Longwood met een rijtuig van Salomons, en kregen toen een rekening van f 80’.

Dekker noteert verder: ‘Longwood ellendig. Schande - vuurhaard plaats van het bed, werklieden - Cicisbeo - was van zijn

[p. 196]

elfde jaar daar - bloemruiker - alles misselijke teleurstelling! Ziel onder den arm bij Salomons. Vestiging van een Hollander zou goed zijn, met logement. Dronken soldaat op den weg... Blij weer aan boord. Tegen verwachting voornemen om te schrijven’. Op 12 December: ‘Pieters verjaardag stil gevierd met mijn vrouw. Kregen na 3 dagen storm, op dien dag goeden wind naar de Westereilanden. Hopen Kersttijd thuis te zijn’. Dit gebeurde: Kerstnacht 1852, weet Mimi nog te vertellen, sliepen zij te Hellevoetsluis in een bedstee.

Dekker kwam in Holland terug, onstuimig als een kind met vacantie. Hij was 32 jaar oud en had 13 indische dienstjaren achter zich; in menig opzicht wist hij zijn waarde en dat hij ‘rijper’ geworden was dan zijn hollandse familie en kennissen, aan de andere kant voelde hij zich ten achter geraakt en gespannen om eindelijk het europese leven te leren kennen. De manier waarop hij zich voornam met geld en cadeautjes te strooien, was gedeeltelijk gevolg van zijn goed hart, maar tevens geheel in de trant van de ‘indisch mannen’ waartoe hij nu ook behoorde. Hij had begrotingen gemaakt en vele aantekeningen betreffende alles wat hij doen zou: naar Parijs gaan en er de beminnelijke Jurien de la Gravière opzoeken, de commandant van de Bayonnaise; alle monumenten zien, alle theaters en andere plaatsen van publiek vermaak; eigen familie opzoeken en boodschappen overbrengen aan kennissen van kennissen. Hij denkt over de kleur van zijn dassen en het getal van zijn zakdoeken; wat de cadeautjes betreft: de een zal een zilver theeservies krijgen, de ander een met goud geborduurd stuk zijde, zijn neefjes gouden of zilveren horloges en lekkers voor de allerkleinsten, de twee tantes van Tine krijgen zijden japonnen. Hij denkt op dit ogenblik bescheiden te kunnen leven van f 250 's maands, maar noteert f 1000 voor cadeau's, f 1000 voor kleren, f 2500 voor diners, feestjes, reizen en diversen. Van tevoren had hij een som van f 3800 naar Holland gezonden als reserve. Zijn verlofstraktement was f 2700 's jaars, dus meer dan voldoende voor een gezin zonder kinderen; hij kon dus voor zijn verloftijd 5 à 6000

[p. 197]

gulden per jaar verteren, wat veel was voor die tijd en in een zuinige streek als Holland.

Veel familie had hij niet meer: zijn jongere broer Willem was verdronken, zijn moeder, zijn zuster waren overleden, Jan was nu tabakscontractant in Indië, Pieter zag hij terug, maar de dominee en hij moesten zich wel brouilleren. Met zijn zwager Abrahamsz had hij nooit goed kunnen opschieten; zodat eigenlijk alleen zijn vader overbleef. Van Tine's kant waren de grootmoeder en zuster Sophie overleden; de andere zuster, Henriette, was nu getrouwd met Van Heeckeren van Waliën. Dus waren er alleen nog maar de twee tantes Van Wijnbergen die te Wageningen woonden; deze twee oude juffrouwen waren onbemiddeld, maar door Dekker sinds April 1846 bijgestaan, soms zo ruim zelfs, zei hij, dat zij ervan hadden kunnen ‘potten’.

Bovendien, Dekker dacht wel veel geld uit te geven, maar hij dacht ook nog eens heel rijk te zullen worden. Hier raakt men de in de Havelaar zelfs helaas mysterieus gehouden ‘familieroman’. Blijkens oude brieven en aantekeningen, bewaard in een cassette die Tine van haar moeder had, zou haar familie zowel van vaders- als van moederszijde zeer rijk zijn geweest, zonder dat Dekker kon uitmaken waardoor die rijkdom verloren was gegaan. Later was Tine's cassette ‘op eene onbegrijpelijke wijze verloren gegaan’, en hoe voorzichtig de Havelaar zich hieromtrent ook uitdrukt, het is duidelijk dat Dekker aan diefstal door een familielid denkt. Hoewel onverschillig waar het zijn eigen belangen betrof, zegt hij: ‘Hoe onbaatzuchtig hij ook was, bouwde hij echter op deze en vele andere omstandigheden de meening, dat hierachter een roman intime verscholen lag, en men mag het hem niet euvel duiden, dat hij, die voor zijne wijze van leven zóóveel behoefde, met vreugde dien roman een blij einde had zien nemen’. Uit verschillende kleine trekjes blijkt inderdaad dat Dekker gedurende zijn europees verlof deze ‘rê ve aux millions’ koesterde, die hij zegt dat ‘in Havelaars verbeelding geboren werd’. Hij zegt er echter bij dat hij zich eerst ernstig met deze zaak bezighield toen hij weer in Indië terug was.

[p. 198]

2

Twee maanden na aankomst bezoekt hij zijn vriend Kruseman in Haarlem en gaat daarna, als gast van de abactis van het leidse studentencorps Bosscha, het jaarfeest van de universiteit te Leiden meevieren. Er is hierover een brief aan Tine, die in het beste hotel van Amsterdam, de Doelen, was achtergebleven. De toon is vol levensvreugd: ‘Primo, uwe verschrikkelijke koopziekte. Wel, dat is erg! Voor ditmaal kan het er door, maar zulk een geweldige uitspatting moet niet weer gebeuren. Wel foei, 't is schande! Ik zal er je voor zoenen tot je straf. Je bent verdoens, hoor je! Ik hoop nu maar dat het gekochte naar je zin is, anders zal ik het nog eens voor je overdoen’.

Kruseman en zijn vrouw hebben hem hartelijk ontvangen en ook Tine dringend te logeren gevraagd. ‘Met K. heb ik veel gesproken. Mijn hoofddoel was van hem te weten te komen of ik talent had uit het oogpunt van een boekhandelaar.

Gij begrijpt dat ik dit weten moest. De toejuiching van een tafelvriend etc. beduidt niets, maar een boekhandelaar moet de waarde van het talent als koopmatn kunnen schaten. Hij moet kunnen weten of er door de natie geld voor zal gegeven worden, want zonder dat loopt alles spaak. Ofschoon zijn antwoord niet decisief was, beschouw ik toch zijn oordeel over het geheel als gunstig. Decisief kan het antwoord niet zijn want 1o had hij van mij geene proeven genoeg en 2o is alle litterarische succès een dobbelspel, vooral van een debutant.’ De brave Kruseman vertelt hem verder dat zijn stuk De Eerlooze eigenlijk te fijn is om opgevoerd te worden, althans door hollandse acteurs; wat door de schrijver, naief maar begrijpelijk, als een ‘schande voor Holland’ gevoeld wordt. Blijkbaar had Dekker het stuk al aan de toneelman Peters gezonden, want hij denkt er nu over het terug te vragen.

‘...Te Leiden vond ik Bosscha en Eduard aan den trein om mij aftehalen. Ik vond dit temeer lief omdat zij het uur van mijne aankomst niet wisten en dus reeds een paar maal te vetgeefs

[p. 199]

bij den trein geweest waren. Wij gingen dadelijk naar de societeit waar een fameus rumoer was door het feest van den dag. Ik had aardigheid in de observatie van 300 jongelui. 's Avonds was er serenade. Bosscha was daarbij als lid van den senaat der studenten. Eduard en ik liepen mede. De muziek was goed, en het fakkellicht deed een mooi effect. Heel Leiden was op de been. Ik had er u gaarne bij gehad maar al waart gij hier geweest, het zou toch voor u te vermoeijend geweest zijn, want het gedrang was zeer groot. Er was een weinig infanterie en kavallerie op de been om de orde te bewaren. Alles liep goed af.

Na de serenade begaven zich de studenten (en ik als gast van Bosscha liep mede) naar het akademiegebouw. Daar werd het studentencorps opnieuw in de societeit bij elkander geroepen, alwaar ieder tot het collation geroepen werd, en elk persoon heel ordelijk in eene sectie onder een bepaalden tafelkommissaris ingedeeld. Ik behoorde als gast van Bosscha tot dezelfde sectie als hij en zat naast hem. De president van de tafel hield eene korte toespraak. Hij wenschte de studenten geluk met de verjaring der akademie, maakte melding van den goeden afloop der serenade, noodigde uit tot tafelvreugde en recommandeerde stoelvastheid...

Toen begon het collation dat zeer goed was... Ik heb veel ongunstigs gezien maar ook veel goeds, vooral bij Bosscha die een allerliefst mensch is... Ik dronk weinig en niet meer dan noodig was. Door het vele salueren duurde het niet lang of de meesten konden niet goed meer zien of ik meêdronk of niet. Ik bleef dus perfect wel, doch amuseerde mij bedaard met den boêl aantezien. Tegen 5 uur 's morgens voelde ik mij wat vermoeid, want dat rondloopen met de serenade zat mij nog in den rug. Ik ging naar mijn Logement en verliet het troepje dat (op een 12 of 20tal lijken na) nog in vollen fleur was.

Ik sliep tot 12 uur. Toen kwam Bosscha mij halen met Eduard, om samen naar de Wijkerbrug te gaan... Wij gingen dus geheel op zijn Menado's na een geur rijden. Maar niet zoo wild. Te Wijkerbrug vonden wij een heele troep die nog

[p. 200]

niet naar bed geweest waren heel vrolijk aan het doorslaan. Daar Bosscha, Eduard en ik heel bedaard waren lieten wij hen stil uitrazen en bleven met nog een paar anderen die ook niet gedronken hadden daar te Wijkerbrug heel pacifiek dineren.’

Het is grappig zich Dekker als de rustige maar onderhoudende oudere man - assistent-resident bovendien en dus toch ‘van buiten’ - tussen deze studenten van Ver Huell en Kneppelhout voor te stellen. De volgende dag eet hij nogmaals aan hun tafel. ‘De studenten eten aan kleine clubs bij koks. De club van Bosscha bestaat uit 8 personen waarbij ook Eduard behoort. Na tafel zittende te praten heb ik die geheele tafel bij mij te Amsterdam genoodigd tegen aanst. Donderdag. Hoe ik dat partijtje regelen zal weet ik nog niet, maar ik wil dat gaarne doen omdat ik nagenoeg als eenige vreemde bij dat studentenfeest geweest ben en hoezeer ik bepaaldelijk de gast van Bosscha was en dus met de anderen niet te maken had, wil ik toch, daar de algemeene geest vrij goed jegens mij was, iets terug doen om in geen geval debiteur te blijven. Dat begrijp je wel. Mijn plan is hen in een Logement te ontvangen (niet bij ons in den Doelen) daar bedaard thee te drinken (zij komen tegen 5 uur). Bij dat thee drinken wilde ik u ook hebben. Daarop woû ik ze naar de comedie laten gaan en vervolgens souper. Ik laat aan uw eigen idee over of gij bij voorbeeld tot 12 of 1 uur dat souper al of niet wilt bijwonen. Het zijn fatsoenlijke menschen en voor dat uur is alles toch bedaard en fashionable. Ik zou het heel aardig vinden dat gij er bij waart. Ik wil dat feest echter niet in ons Logement hebben omdat als er in den nanacht soms wat rumoer is, ik daarvan geen spraak wil hebben in een Logement waar ik bekend ben. Doch over die regeling spreken wij nader.’

Prof. Bosscha heeft later aan C. Th. van Deventer verteld dat Dekker de studenten inderdaad een prachtig souper aanbood in het hotel Führi in Den Haag, wat door hen weer beantwoord werd met ‘het aanbieden van een souvenir, een horlogeketting met een embleem, aan onze tafel herinnerend’.

[p. 201]

Het is hetzelfde hotel Führi dat hem later om nooit betaalde schuld zo vaak en pijnlijk zou ‘lastig vallen’.

In dezelfde brief staat nog: ‘Als de zaak met de f 30/m. in orde komt heb ik een magnifiek plan. Om namelijk heel op mijn gemak Doctor in de letteren en in de regten te worden. Behalve dat zoude het wel kunnen gebeuren dat ik mij een tijdje bij eene akademie liet inschrijven. Ik heb er met Bosscha reeds over gesproken’*.

Hij vindt het prettig zelf voor een student te worden aangezien: hij had een satijnen kabaai aan over zijn jas toen hij naar de Wijkerbrug meereed en een boertje had uitgeroepen: ‘Kaik, daer is een student in jufferkleeren’. Hoe hij nu eindelijk de Rodolphe uithing, vertelt de Havelaar vanuit het standpunt Tine: ‘Ja, zij had het goed gevonden, toen hij die beide arme vrouwen uit de Nieuwstraat, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren “uit geweest”, rondvoerde op de Haarlemmer Kermis, onder het koddig voorwendsel, dat de Koning hem had opgedragen “het amuseren van oude vrouwtjes, die zich zoo goed gedragen hadden”. Zij vond het goed, dat hij de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam onthaalde op koek en amandelmelk, en ze overlaadde met speelgoed... Zij kon het niet afkeuren, dat hij het meisje tot haar bragt, dat 's avonds op de straat hem had aangesproken, dat hij haar te eten gaf en herbergde, en dat hij het “ga heen en zondig niet meer!” niet uitsprak, voor hij haar het “niet zondigen” had mogelijk gemaakt. Zij vond het zeer schoon... dat hij het klavier liet terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hij had hooren zeggen hoe leed het hem deed, dat de meisjes verstoken waren van hunne muziek na dat bankeroet’. Als Havelaar uit deze opsomming

[p. 202]

weer wat geïdealiseerd tevoorschijn komt, de verlofstijl van Dekker blijft goed herkenbaar.

Zijn nichtje Sietske Abrahamsz vertelt over deze tijd in haar latere herinneringen: ‘In 1852 met verlof in Nederland komende betreurde hij vooral 't overlijden zijner zuster en droeg zijne genegenheid over op ons, hare kinderen. Ook zijne vrouw deed 't mogelijke om ons hare belangstelling te toonen. Kwam ik uit de Zondagscatechisatie van de Doopsgezinde Kerk, waar tegenover het echtpaar tijdelijk gevestigd was, dan kon ik rekenen op een hartelijke ontvangst wanneer ik bij hen binnentrad. In dien tijd heeft “Oom E” nooit een woord gesproken in strijd met of direct tegen den godsdienst. Hij schijnt zich toen ook weinig met politiek of letterkunde te hebben beziggehouden, evenmin trad hij op in 't publiek.

Op een deel van 't terrein te Amsterdam, waar thans nieuwe stadswijken zijn verrezen, was destijds eene uitspanning de Nederlanden geheeten, met grooten tuin. Met ‘Oom en Tante’ zouden we daar een dag doorbrengen. Kort na onze aankomst verscheen een groot aantal weezen, met begeleiding. Oom E had een diep medelijden met ouderlooze kinderen, verpleegd in een gesticht, 't meest om de uniforme kleederdracht; volgens hem was 't een gruwel aan die kinderen een cachet te geven als voorwerpen van barmhartigheid. Hij en Tine voelden zich gedrongen iets bij te dragen om hun een vroolijken dag te geven. Uit de stad bestelden ze ballen, tollen, hoepels, springtouwen, jeu de grâce enz. en wij allen bewogen ons tusschen de weezen als behoorden wij tot hen. Tevens werden ze onthaald op allerlei versnaperingen, evenals 's avonds toen eenige oudere verpleegden kwamen zien naar de voorstellingen van een goochelaar. De assistent-resident met verlof maakte dien dag den indruk van een verkleeden prins uit een tooversprookje’.

Sietske zelf, het latere model voor ‘Fancy’, was op dit ogenblik nog maar een meisje van tien jaar en inspireerde oom geen andere gevoelens dan vaderlijke. Zijn meer romaneske bevliegingen ontbraken gedurende de verloftijd niet, maar zij

[p. 203]

kon dat toen nog niet weten. Van een van die stukjes zou hij intussen tien jaar later nog last hebben. Mimi licht ons hierover in: ‘Een bloedverwant, een neef van Tine, was tijdens den verloftijd van Dekker verloofd met een jong meisje. Maar het huwelijk werd door haar moeder voortdurend uitgesteld, alleen, naar Dekker meende, omdat zij zelve van den jongen man épris was. Dekker raadde hem daarom, het meisje te schaken, en toen allerlei bezwaren werden gemaakt, bood hij zelfs aan het voor hem te doen. Dit werd afgesproken. Het meisje vond het goed, en op zekeren dag wachtte Dek haar in den Haag op en reisde met haar naar Haarlem. Uit vrees, dat de politie naar de jonge dame onderzoek zou doen, wilde Dek haar niet in een hotel laten overnachten, maar bracht haar bij zijn vriend Kruseman. Hij verzocht Kruseman het meisje dien nacht te herbergen, noemde haar naam niet, en zei alleen dat hij haar kende, en dat zij behoefte had aan bescherming... die hij, Kruseman, haar zeker gaarne zou verleenen. Dek zelf ging in een hotel, en liet dien nacht in allerijl nieuwe kleeren voor de jonge dame maken, opdat zij gedurende de verdere reis niet herkend zou worden aan japon en mantel. Maar zij logeerde bij de familie Kruseman. Daar was dien avond juist een rietpeeren-koekenpartij van oude vrouwtjes, die het meisje verlegen maakten door al hun gevraag. Den volgenden dag vergezelde Dekker haar naar het buitenland, en kort daarop huwde zij met haar verloofde’.

Maar de oude vrouwtjes hadden te veel gezien om er niet een ander verhaal van te maken: later vertelde men dus rond dat Dekker met een publieke vrouw bij Kruseman gelogeerd had, na haar voor Tine te hebben uitgegeven (hoewel Kruseman Tine kende). De volgende dag had hij met Kruseman en de valse Tine in een open rijtuig door Haarlem gereden, wat Kruseman natuurlijk allervreselijkst moest blameren.

[p. 204]

3

Gedurende zijn verloftijd ook trad Dekker, wonderlijk genoeg te Gorcum, toe tot de vrijmetselaars. Hij had er later niet zoveel hulp van als hij misschien had mogen verwachten, want hij had, zegt Mimi, ‘in snelle opvolging vele rangen doorloopen tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot Prins van het Rozenkruis’. De essayist J. Saks knoopt hier zijn theorietje aan vast: ‘Dit zijn kostelijke inlichtingen, al ware het alleen hierom dat er uit blijkt hoe althans eenmaal in zijn leven Dekker zich onder normale omstandigheden bij andere menschen heeft aangesloten en zich vrijwillig heeft onderworpen aan de voorschriften eener organisatie’, enz. Op deze wijze toonde Dekker ook, volgens Saks, dat hij voorgoed had afgerekend met zijn bataviase bekering tot het katholicisme (voor zover men die nog ernstig nemen kan), en ook dat hij, gedurende zijn verloftijd althans, sympathie had voor de liberale partij, want de vrijmetselarij was ‘zelfs zuiver-thorbeckiaansch van karakter’. Met dat al blijkt dit laatste niet en kan Dekker even goed aan andere dingen hebben gedacht.

Holland scheen ditmaal vol waardering voor de indische assistent-resident. Maar Amsterdam en Den Haag bevredigden Dekker niet; hij dacht aan Frankrijk en België. Op 8 Sept. 1853 vroeg hij aan het ministerie van koloniën verlof zich naar die landen te begeven; vier dagen later kreeg hij het. Hij vertrok naar België, kwam in Spa, beproefde zijn geluk aan de speeltafel en verloor alles wat hij bezat*. Het was nu geen biljart meer, als op Batavia, maar echt de roulette; de eerste stap op de weg van de latere ‘millioenen-studiën’. Hij kon niet eens naar Frankrijk doorgaan. In October ontving hij het bericht dat, aangezien de f 360 door hem aan 's Lands kas ver

[p. 205]

schuldiged nog steeds niet waren voldaan, deze som zou worden ingehouden van zijn verlofstraktement bij de eerstvolgende uitbetaling. Hij antwoordde dat hij aan de protestantse predikant in kwestie - degeen aan wie hij een maand traktement te veel had uitbetaald - had geschreven en dus in de mening verkeerde dat deze de zaak in Indië tot een eind had gebracht; maar dat het inhouden van de f 360 hem nu in grote verlegenheid zou brengen, zodat hij verzocht de som later te mogen terugbetalen van zijn activiteitstraktement. Hem werd hierop gezegd dat ze gekort zou worden van het voorschot waar hij bij zijn terugreis naar Indië recht op had.

Op 17 November echter blijkt Dekker zozeer benard dat hij zich tot de minister van koloniën Pahud wendt, met een request en een particulier briefje tegelijk, om een voorschot van 3 maanden op zijn verlofstraktement. ‘Ik zoude vreezen misbruik van Uwer Excellentie's attentie te maken, staat in het particuliere schrijven, indien ik al de tegenheden schetste die mij gedurig hebben getroffen en hoe ik met aanhoudende volharding daaraan het hoofd geboden heb. Eene totale uitputting van geldelijke middelen is daarvan het gevolg geweest, doch hoe gaarne ik mij steeds aan de daaruit voortvloeijende bekrimping van de uitgaven onderwierp, thans ben ik wel genoodzaakt hulp te vragen daar ik in omstandigheden verkeer die inderdaad nijpend zijn. Binnen weinige weken zie ik de bevalling mijner vrouw tegemoet, en het is waarlijk grievend dat dit vooruitzigt, na een bijna achtjarig huwelijk voor het eerst zich opdoende, mij thans met bezorgdheid en angst vervult, daar ik mij niet in de mogelijkheid zie het hoofd te bieden aan de uitgaven die van zulk eene gebeurtenis onafscheidelijk zijn. Elke andere behoefte zou welligt kunnen worden uitgesteld, bezuinigd of bekrompen, - maar bitter hard zoude het wezen indien ik niet in staat gesteld werd de geboorte van mijn eerste kind zonder angst tegemoet te zien. Ik beroep mij op de menschlievendheid van Uwe Excellentie’, enz.

Hij wordt pathetisch, als altijd wanneer het hem te machtig wordt, en dat Tine haar bevalling afwachtte was waar. Maar

[p. 206]

er worden deurwaarders gevonden, naief genoeg in hùn trant, om te jubelen dat hij hier verder dan toch loog, dat hij Pahud immers verder niet bekende hoe zijn geld verloren was gegaan. Inderdaad, onder de vele naiefheden en misrekeningen van Dekker, treft men deze éne niet aan: hij was niet naief genoeg om pathetisch te bezweren: ‘Ik heb dat geld aan de speelbank verloren, Excellentie, aan de speelbank in Spa!’ en te geloven dat hij per kerende post een gunstig antwoord zou ontvangen.

Gegeven zijn halve leugen kreeg hij dat antwoord nu wel. De gevraagde som (f 675) werd hem toegestaan, mits tegen behoorlijke borgtocht. Borg stelden zich: resident Scherius, die dus nog steeds met verlof in Europa was, en een luitenantter-zee Siedenburg. Op 8 December werd het geld tot zijn beschikking gesteld.

Op nieuwjaarsdag 1854 werd Edu - kleine Max uit de Havelaar - in Amsterdam geboren.

4

Op 16 April 1854 wendt Dekker zich weer tot de minister en vraagt, onder overlegging van een dokterscertificaat waarin verklaard wordt dat hij ‘lijdt aan zenuwaandoeningen, tengevolge van een nog niet volkomen hersteld leverlijden’, zes maanden verlenging van verlof. Hem wordt geantwoord dat de inwilliging van zijn verzoek ‘wordt afhankelijk gemaakt van den uitslag van een door hem, vanwege den Inspecteur van den Geneeskundigen dienst der Landmagt te ondergaan geneeskundig onderzoek, waartoe hij eerstdaags zal worden opgeroepen’. Het resultaat van dit onderzoek is dat: ‘Uithoofde van hooge graad van melancholie en hierdoor ongeregelde werking van hersenen en ruggemerg, wordt de aangevraagde verlenging van verlof voor den tijd van zes maanden ter beproeving tot herstel van gezondheid voor dezen Ambtenaar allernoodzakelijkst geoordeeld’. De verlenging wordt dan toegestaan.

[p. 207]

De melancholie en verdere ziekte van Dekker hebben hem niet belet in Juni speurderswerk te verrichten voor zijn oude vriend van Natal, C.S. van der Pool, die zich ook met verlof in Holland bevond. Van der Pool, die van de laagste rangen in het leger tot kapitein was opgeklommen, was moedig en braaf maar ook nogal naief. Hij had twee kinderen, van een inlandse vrouw, naar Holland meegebracht en vond deze verwaarloosd; vaak had hij ze bij Dekker en Tine gebracht. Hij kwam nu op het idee te trouwen en daar hij niemand kende, plaatste hij een advertentie in de krant: ‘iemand van schitterende carrière’, enz. Pakken brieven kwamen binnen, Dekker moest ze uitzoeken, en op een gegeven ogenblik vertrekt hij naar Voorburg om er te zoeken naar een oost-indisch heer met dochter. Romantisch als altijd neemt hij zijn intrek in ‘De Zwaan’ onder de valse naam Holm - hij was immers nog steeds auteur van het ene ongespeelde stuk De Eerlooze - en schrijft briefjes aan Van der Pool die hij betitelt als ‘bulletin van het tooneel des oorlogs’. De heer met dochter blijkt niet te bestaan, maar Dekker gaat, om ze te betrappen, zelfs naar de kerk. ‘Ik heb een heele fransche preek geslikt met psalmen en gezangen. Het kwam nog goed dat ik reeds voor kerktijd gevomeerd had.’ (Noot van Mimi: ‘Dit overkwam Dek zeer dikwijls 's morgens. Bij elke kleine aandoening of zenuwachtige gedachte’. Een beetje ziek was hij dus toch wel.) De zich noemende Elise met ‘eenigszins Oostersche teint’ blijft onwaarschijnlijk, want er zijn wel een paar indische meisjes, maar deze vallen op als ‘zeer bruin’. Dekker wandelt en informeert verder en: ‘Duivels, Duivels, alle Duivels!... de heele zaak schijnt een ui te zijn!’ De brieven van Van der Pool aan mlle Elise zijn door de postbode aan een jongmens afgegeven dat Berkhout schijnt te heten: ‘Men heeft de grap willen hebben den huwelijksheer met groene handschoenen en begeerige blikken in de kerk te zien zitten, en later dienzelfden heer in uniform bij Teupken te zien patrouilleeren. Wie weet wie daarboven voor het raam zaten, en hoe goed het is dat wij in een rijtuig hebben gezeten’. Gelukkig dus maar ook dat zij

[p. 208]

het adres van Dekker opgegeven hebben; van hèm heeft men kunnen horen dat hij getrouwd was.

Deze kinderachtige historie komt wonderlijk te staan tussen de officiële papieren vol ziekte en geldgebrek. Van der Pool ging ongehuwd naar Indië terug. Dekker schrijft 31 October naar het ministerie van koloniën dat zijn vertrektijd daar is en hij dus gaarne zou beschikken over het gebruikelijke voorschot, bestaande uit 4 maanden verlofstraktement. Het wordt hem uitgekeerd, na aftrek van de f 360 die hij schuldig was en een paar percenten. Plotseling schijnt hij een nieuw idee te krijgen. Hij vraagt nog een maand uitstel, verzekerend dat hij, door overland te reizen, die maand kan inhalen; het verzoek wordt ingewilligd onder voorwaarde dat hij zich ultimo Februari 1855 ter beschikking van de Gouverneur-Generaal stellen zal. Hij reist dan naar Homburg, speelt, en verliest natuurlijk opnieuw.

5

Op 22 Januari 1855 komt hij uit Duitsland terug in Arnhem. Weer een lange brief aan Tine. Hij is ook een onverbeterlijk schrijver, want hij schrijft weer echt al zijn avonturen.

 

‘Gister ben ik hier aangekomen, beste lieve Eef, en eerst nu verman ik mij om aan u te schrijven. Zoo innig graag als ik mij gehaast had om iets goeds medetedeelen, zoo hard valt mij het tegendeel. Gij hebt evenwel uit mijn eerste telegram reeds begrepen hoe het staat! Ja, lieve, ik ben bitter bedroefd. Ik heb geen lust u mijn wedervaren nu te schrijven. De hoofdzaak weet ge en dit is helaas genoeg! De rest volgt mondeling*.

[p. 209]

...In weerwil der allermoeijelijkste reis ben ik zeer gezond en voel mij zelfs sterk. Hoe is het mogelijk! 't Is een tour in dit seizoen te reizen met postwagens. Ik ben van Coblentz naar Keulen in een nacht, van 's avonds 6 tot 's morgens 6, doorgereden. Later hoorde ik dat dit de koudste nacht geweest was die wij van den winter nog gehad hadden; en ik had niet aan koude gedacht.

Ik heb uitgaande en zelfs thuis komende nog van mijn armoedje hulp verleend, en het was mij een bitter genoegen daarbij als het ware tot God te zeggen: Zie, hoe ik handel. O, 't is wreed!

...Den 11den 's morgens moest gij denken dat ik met de stoomboot vertrokken was. Te zes uur dacht ik dit ook, maar een kwartier later wist ik het beter. Toen lagen wij met zware mist op den Rijn voor anker. Gij begrijpt mijne stemming. Toen ik 's morgens mijn billet voor de boot nam moest ik wachten op twee vrouwen die voor mij aan de beurt waren. Ik werd ongeduldig daar het zoo lang duurde. Die lieden schenen niet klaar te kunnen komen. Er scheen gekibbel te wezen over den prijs, de muntsoort en de herleiding van Pruissisch tot Holl. geld. Daar het mij verdroot gaf ik nader acht waaraan het haperde en beschouwde - neen dat deed ik later - ik beschouwde later de beide vrouwen. Zij waren fatsoenlijk maar armoedig gekleed; de eene droeg eene harp, de andere eene guitarre. Zij hadden fijne handen en reine nagels.

De oudste (circa 40 denk ik) was mager en uitgeteerd, maar had wonder fijne trekken. Daar lag smart op. De jongste was frisch en gezond, hoezeer nog al grof van wezen. Beiden hadden tranen in de oogen!

Maar vóór ik dit alles gezien had, streek ik hun geld (dubbeltjes, stuivertjes, centen, kreutsers en silbergroschen alles dooreen) weêr weg, legde er eenige rijksdaalders voor in de plaats en zeide tot den man voor 't raampje: ‘Ik reis ook mede op de boot, die menschen zullen dat straks met mij wel verrekenen’. De vrouwen zagen mij aan alsof zij geschrokken waren en spraken geen woord. Zij gingen met hun billet weg en ik vond ze lomp.

[p. 210]

Niet waar, - niet eens te bedanken? - De man in het huisje, de bureauman, de registerman, - de ambtenaar enfin, zeide dat het wel zeer gelukkig was dat ik die zaak had uitgemaakt want, zeide hij...

Ja, wat zoude een ambtenaar zeggen?...

Het waren muzikanten; zij waren met hun vieren (twee waren reeds vooruit op de boot: een man en nog een meisje) in Holland gekomen... De man was ziek geworden, had zijn contrabas moeten verkoopen om te eten; nu wilden zij terug maar hadden geen geld genoeg om de boot te betalen, of liever, die vrouw had nog een thaler, ‘maar dien wou ze niet geven, mijnheer, en dus mijnheer is het gelukkig dat u gekomen is, want...’

Ja, dit alles zeide de ambtenaar. -

Maar wat meer? Gelukkig dat ik kwam daar die arme lieden anders in het voor hen vreemde land moesten achterblijven en hongeren?

Neen. Het was gelukkig, omdat het zoo lastig is de eens afgeknipte en als geplaatst geregistreerde billetten weêr intenemen bij de boekerij...

O, heilige administratie! Wat staat het schoon als men zoo zijn hart en zijn gevoel netjes tusschen roode en zwarte lijntjes in en vast geregistreerd heeft. Ik nam mijn hoed af voor den accuraten ambtenaar en ging op de boot in de salon. Ik was slaap te kort gekomen, en ging op de bank liggen na dien eigenaardigen blik op de medepassagiers geslagen te hebben die de honden ons of wij den honden nadoen als ze elkander tegenkomen, een blik die zoo nagenoeg vraagt: zullen wij bijten of spelen? Groet jij eerst of ik? enz.

...Toen ik wakker werd vraagde ik den kellner of er niet muzikanten voorin waren? Gewiss, zei hij, de vrouw is hier geweest en heeft bij u gestaan... te schreijen. Maar gij schijnt vast te slapen, mijnheer!

Een oogenblik daarna kwam ze. Zij bedankte mij recht anständig voor het leenen en bood het geld terug aan. Het was weêr dezelfde rommel klein geld van zooeven, maar nu

[p. 211]

was er een thaler bij. Dat geld had eene geschiedenis, dat voelde ik.

De kleine Duitsche munt was het overschot van het reisgeld herwaarts... De kleine Hollandsche munt... was opgehaald op het blikken blaadje als men het Lied der Thräne had gezongen of den lieven Alpenhorn of het afgezaagde maar toch schoone Scheiden thut weh...

Maar de thaler, de thaler! De man had zijn contrabas verkocht, en zij had nog een thaler?

Ik nam het geld en hield mij of ik het natelde...

Die thaler? Ik vraagde met de oogen.

O Gott, diesen Thaler gab mir meine Mutter vor zwanzig Jahren!

De rest begrijp je. Er was mist gekomen. Wij avanceerden niet. Gij begrijpt hoe ik gestemd was over mijn lot. Toen hoopte ik nog te zullen slagen, en meende dat één dag verlies mij benadeelde. Ik was bitter bedroefd, maar mijne Oostenrijkers hadden eene aangename reis.

O, kon ik u de welsprekendheid schetsen van dier lieden dankbaarheid. Zij hadden gevraagd mijn naam te weten; ik schreef dien op. De oudste vraagde hoe zij dien moest uitspreken, want, zeide zij, ik wil dien goed noemen als ik voor u bid!

...Te Duisburg verlieten wij gezamenlijk de boot. Zijlieden om naar Lippenstadt te gaan en ik op de spoor naar Keulen. Zij allen begeleidden mij naar de spoor...

In 't stationsgebouw nam ik afscheid. Ik was geroerd en maakte het kort, zooals gewoonlijk.

In de waggon trof ik een' ouden heer. Ik verschool mij in een hoek, - en dacht aan u, Edu, onze toekomst, - aan God of geen God.

Daar werd het portier opengemaakt en snikkende vielen de meisjes en de vrouw en de man den wagen in. Zij kusten mijne voeten.

O, God, als ge er zijt, - neen, neen, dat is onmogelijk!

Schreijende weerde ik hen af. De conducteur kwam er tusschen - de bel luidde voor 't laatst, de stoom floot, ik zag een der

[p. 212]

meisjes vallen doordat zij meê loopende het portier nog grijpen woû, en toen zat ik alleen in mijn hoekje van den spoorwagen.

Die menschen waren mij dierbaar geworden.

Sind das ihre Verwandten, Herr? vraagde de oude Heer in den anderen hoek.

Ja, mijnheer, antwoordde ik, ja, ja, dat is mijne familie, want zij zijn arm.

Sind die Mädchen hübsch? vraagde hij.

Juist dat was de vraag, nietwaar - of de meisjes mooi waren?

Neen, neen, neen, waarachtig niet, ze waren niet mooi.

En toen spoorde ik verder, en dacht na en sprak met God. Of 't een gebed was of een lastering, eene aanbidding of een loochenen van zijn bestaan, dit weet ik niet, maar zeker heb ik gezegd, als ge er zijt, zie naar mij...

Ah! zou Pieter zeggen, daar komt de aap uit de mouw. 't Was een schelvisch voor een kabeljaauw...

(Zulke woorden klinken plat, - dat kan niet anders, als ik Pieters woorden aanhaal na de mijne.)

Ah, zou hij zeggen, 't was om winst; 't was eene speculatie! Je wou met God een accoord maken: ik geef de Oostenrijkers één, gij geeft daarvoor terug zeventig maal zeven!

Pieter, als dat zoo geweest ware, had ik nog niet anders gedaan dan uw bijbel leert; uw bijbel die die speculatie letterlijk voorschrijft.

Maar waarlijk, aan uw bijbel heb ik niet gedacht, aan uwe Jodenspeculatie heb ik niet gedacht, aan uw' beloonenden en straffenden God heb ik niet gedacht, toen ik den armen een kus gaf en een handdruk en een thalerschein en eten en een hartelijk woord.

Neen, daaraan dacht ik niet.

Ik dacht aan mijn God, mijn God die edel moet zijn en groot en mij moet begrijpen en beminnen of niet zijn.

En zoolang ik zulken God niet zie, geloof ik aan God niet! Openbaar U aan mijn hart, als gij er zijt*.

[p. 213]

Tweede avontuur. Dit was op de terugreis, 't Is van geheel anderen aard. Moedeloos en bedroefd zat ik op de Pruissische postwagen tusschen Maintz en Oberwesel. Tot Boppart toe had ik tegenover mij een meisje die met knie en hand en oog de gewone vrijmetselaarsteekens gaf: ik wil wel kennis met je maken. Wij meenden in Boppart tot 's avonds te moeten wachten en ik had mij laten overhalen om zamen met haar in het posthuis te eten. enz. Dàt zoude een avontuur van ['t] gewone platte genre geworden zijn.

Vraag je nu hoe is het mogelijk dat je in die stemming (ik keerde huiswaarts!) zoo iets kon toegeven, - dat is mijzelf een raadsel, - of liever ik begrijp het wèl. Zij zag er goed uit. Ik was, in weêrwil van mijn toestand, altijd ik. Onze knieën en handen raakten elkaar. In Duitsland is eene romantische atmospheer. - Zie uwe plaatjes, - enfin, in weêrwil van alle weê rwillen: het was zoo.

Maar, ik herhaal, dat ware een gemeene gewone platte historie geworden.

In Boppart aankomende, had zij commissies te doen en ging uit.

Ik hoorde dat er oogenblikkelijk gelegenheid was om verder te komen met eene omnibus naar Oberwesel, en ik maakte graag van die gelegenheid gebruik om mijne nieuwe intieme kennis in den steek te laten... Om opregt te wezen moet ik zeggen dat als ik meer geld had gehad, en ik niet de fatale terugreis maken moest, ik waarschijnlijk in Boppart op haar zou gewacht hebben... Maar ik ging in de omnibus en liet mijne schoone zitten...

Kort na het afrijden wordt er in een gehucht halt gehouden.

Heeren! zeide de conducteur, daar zijn twee dames. Er is nog ééne plaats, moet dat Mädchen in de koû op den bok zitten?

[p. 214]

Neen, riepen de passagiers - ik althans riep het - neen, wij zullen plaats maken.

De wagen heette voor 12. Dat zou 13 geven. Ik woú op den bok gaan maar ik kon er niet uitkomen. Want, let wel, ik zat het verst van de deur. Om er uit te komen moest ik 20 knieën passeren.

Ja. Maar... stel eens dat iemand er in komt, - hij of zij moest ook 20 knieën passeren om bij mij te komen, nietwaar?

Welnu, toen wij afreden van 't gehucht zat het meisje (de dame, meen ik, de andere was iets als een dienstmeisje) op mijn schoot.

Nog begrijp ik het niet, en zij, Jettchen, ook niet.

Maar dàt is zeker dat zij drie dagen en drie nachten met mij gereisd heeft, dat wij te Oberwesel in eene kamer geslapen hebben, dat zij mij in mijn slaap haar heeft afgeknipt en het hare in de plaats heeft gegeven, - dat zij mij briefjes heeft geschreven en mij in Amsterdam weer een brief beloofd heeft, en dat ze toen ik te Coblentz haar verliet, schreijende aan de postwagen stond.

Nu denk je dat het een gemeen meisje was, nietwaar? Neen, geloof me. Dat woord eer en deugd in den gewonen zin genomen, ik hecht daaraan als ge weet niet zooveel. Moet ik zeggen dat ik dat meisje in eene kazerne van kurassiers vertrouwen zou.

...Ik kan dat meisje niet beschrijven. Zij was knap, hoewel een weinig grof zooals vele meisjes daar, maar hare wijze van zijn was waarlijk hoogst eigenaardig. Haar vader was rijk, zeide zij, en aan sommige omstandigheden merkte ik dat dit waar was, want overal werd zij met veel ontzag behandeld. Zij had iets gebiedends in haar toon dat aardig was om te hooren, vooral bij de zachtheid die zij er bij had.

De post in Oberwesel zou 's avonds 12 uur afrijden. Wij kwamen te zamen in 't posthuis. Het was bitter koud. De postmeester had tijding dat de post door sneeuw enz. was opgehouden en wij dus wachten moesten, wie weet hoe lang.

In die postkamer stond eene kanapé. Toen riep ze mij alleen en

[p. 215]

zeide: Hoor eens, ik heb slaap en wil hier op de bank slapen. Kom bij mij zitten en slaap ook als gij kunt... Ik wil dat gij mij liefhebt, en ik wil dat ik gerust bij u kan inslapen. Ik weet dat ik er goed uitzie, en ook hoe jongelui zijn (zij zag mij aan voor 25 jaar,) maar ik heb u lief en vertrouw op u...’

6

Men vindt ook in deze brief de latere Multatuli compleet, er is op dit ogenblik eigenlijk al niets meer van de assistent-resident over en al alles van de overgevoelige bohème in zijn kader van aandoenlijk-edele arme mensen. Alles is er: de haat tegen de ambtenaar, het ongeloof in een God die niet goed is, Pieter als dominee Wawelaar, het meisje dat ogenschijnlijk slecht maar in werkelijkheid edel en rein en (dit hoort er bij) fier is, de sympathieke maar eigenlijk drastische sentimentaliteit voor artisten-in-nood (immers nauwkeurige tegenstellingen van rijke farizeeërs en hooggeplaatste ambtenaren, Sjaalman tegen Droogstoppel en Slijmering in één woord); en tot slot, het onbarmhartige exhibitionisme tegenover zijn vrouw, de erotiek in de rein-leven-toon, waarbij het zelfs is of de sentimentele goedhartigheid van avontuur 1 als vrijbrief voor avontuur 2 moet dienen, waarbij althans zeker is dat avontuur 2 niet zonder avontuur 1 ‘begrepen’ kan worden. Maar deze man is minder simplistisch dan zijn eigen antithesen. Men kan hem makkelijker gebrek aan smaak verwijten: in zijn hartstochtelijke gevoelsuitingen, zijn al-te-apostolische, al-te-opvoedkundige eerlijkheden tegenover Tine, dan zeggen dat hij alleen maar een komediant was; het element komedie wordt door hem telkens weer gemaakt tot bloedige waarheid. Dit verklaart evenzeer waarom hij geen kou voelde in de trein, als hoe het hem mogelijk was om op dàt moment dié brief aan zijn vrouw te schrijven. Niet alleen om de ‘eerlijkheden’, maar om de hele toon, om de onmiskenbaar-literaire vertroosting die hij in het schrijven ervan gevonden

[p. 216]

moet hebben*. Deze brief op dit moment te kunnen schrijven, verklaart al zijn ‘literaire’ missives aan Michiels, aan Brest van Kempen en Duymaer van Twist, is weer het bewijs dat het geen komedie was toen hij zei niet anders te kunnen schrijven. En het hele talent van Multatuli wordt erdoor verklaard; ook om als schrijver zijn maximum te bereiken moest deze man werken uit dezelfde soort aandrift, moest deze zelfde wisselwerking bereikt worden tussen ontroering en schrijverstemperament.

Dekker moest zich wellicht eerst in Indië terug bevinden om weer de prikkel te voelen een superieur ambtenaar te zijn. Op dit ogenblik voelde hij zich waarschijnlijk veel meer ‘artist’, te zeer bevangen door het ‘grote europese leven’ om zich de wereld van de oost-indische bureaucratie duidelijk te realiseren. In aanmerking genomen dat hij voor deze laatste toch altijd zo weinig aanleg had, moeten zijn drie jaren europees verlof hem hebben geopenbaard dat hier zijn wereld lag, zijn kader, zijn werkelijke mogelijkheden; zonder vrouw en kind zou hij na de nederlaag van Homburg misschien niet meer naar Indië zijn teruggekeerd en zijn werkelijke drama ontgaan zijn: de nederlaag van Lebak.

7

Op 7 Maart gaat van het Departement van Koloniën een kort briefje uit, als om te vragen wat van hem geworden is. Tot dusver immers is daar van zijn aangekondigd vertrek naar Java niets gebleken. Dekker antwoordt aan de Minister dat hij in verband hiermee de eer heeft mee te delen:

‘Dat ik sedert mijn verblijf in Nederland gedurig verkeerd heb in de hoop spoedig eene geldelijke aangelegenheid te termineren die mij met het oog op mijne zeer geschokte gezondheidstoestand

[p. 217]

zoude veroorloven mijn eervol ontslag uit 's Lands dienst aantevragen*.

...Dat evenwel later die zaken dreigden zoodanig te traineren dat ik reeds sedert ruim twee maanden besloten had de beeindiging daarvan niet aftewachten en naar Indië terugte-keeren, waarin ik echter, eerst door eene hevige ziekte van mijn kind, en vervolgens door het invallende winterweder ben verhinderd.

...Dat ik thans evenwel met den meesten spoed de terugreis naar Java wenschte te aanvaarden, en daarin binnen weinige dagen hoop te slagen, ofschoon de geldelijke ongelegenheid waarin ik ten gevolge mijner tot nog toe teleurgestelde verwachtingen verkeer, mij de afdoening mijner zaken alhier zeer moeijelijk maken’.

Er komt geen antwoord, maar de brief is een goede voorbereiding geweest. Veertien dagen later stuurt hij een veel langer request, waarin hij meedeelt dat hij, ondanks alle moeite, niet geslaagd is, en dus een nieuw voorschot vraagt van f 2000, of het vermoedelijk bedrag van 4 maanden activiteitstraktement bij wederplaatsing in Indië. Om tijd te winnen heeft hij zich zelfs van de nodige borgen voorzien, die ditmaal zijn de heren Coorengel en Zellner, beiden O.I. ambtenaar.

De minister van koloniën Pahud weigert ditmaal kortweg, onder terugzending van de aangeboden akte van borgtocht.

De volgende dag reeds antwoordt Dekker weer. Hij ziet zich

[p. 218]

door deze beschikking ‘in zware bekommering gedompeld’; hij had gedacht dat het toestaan van zijn verzoek, ‘hoezeer altijd een gunst, niet buiten alle regelen was’, en acht zich verplicht Zijn Excellentie ‘andermaal te adiëren met de eerbiedige doch dringende herhaling van hetzelve’, ditmaal ‘onder mededeeling van omstandigheden’. Hoewel hij de zaak van het hoogste belang waarop zijn hoop gevestigd was (hij liegt hier niet eens, als men maar eenmaal weet wat deze ‘zaak’ was) niet tot een goed eind had kunnen brengen, had hij zich naar Indië willen begeven, maar werd hierin toen verhinderd door ziekte van zijn kind, ‘hetwelk in doodsgevaar verkeerde, en na dien tijd voortdurend de meeste zorg blijft vereischen, zoo zelfs dat de geneesheer tot nog toe heeft verboden het in de buitenlucht te brengen’, terwijl de voorgeschreven verzorging op een schip niet gegeven kan worden. Hij zou dus om naar Indië te gaan zijn kind moeten achterlaten, maar mist het hoognodige dat hij dan zijn vrouw zou moeten geven. Hij ziet zich nu dus slechts gesteld voor de keus ‘òf te trachten bij eenigen reeder voor zich en zijn gezin overtogt naar Indië te bespreken op crediet, - of Uwe Excellentie te verzoeken om eervol ontslag uit 's lands dienst’, in welk geval hij binnen weinige dagen zonder dak of voedsel wezen zou. Hij zegt dat het niet voor het eerst is dat hij ‘den dood, ook den hongerdood, met kalmte tegemoet ziet’ (ook hierin liegt hij niet), dat ook zijn vrouw ‘heeft geleerd te dragen en te lijden tot het uiterste’ (wat nauwelijks minder waar is); ‘maar dat de keuze tusschen vertrek op die wijze, of hier blijven op die wijze gelijk staat met de keus om zijn kind hier of op een schip te zien sterven’... En dus: ‘De adressant herhaalt eerbiedig zijn verzoek om voorschot!’

Met enige ongerustheid vraagt men zich af of deze pathetisch-aangevoerde ziekte van de kleine Edu verzonnen was. Mimi geeft op dit punt geen mededelingen. Multatuli's brieven evenmin. Maar hier gewordt ons een moeilijk te verdenken commentaar uit de Havelaar, in het gesprek waarmee het 20e hoofdstuk begint. Havelaar herkent een broekje van

[p. 219]

kleine Max aan een bepaalde strook en zegt tot Tine: ‘Het was in Den Haag, toen Max ziek was, en wij zoo geschrokken waren omdat de dokter zeide, dat hij een zoo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er zooveel zorg vereischt werd, om aandrang naar de hersenen te voorkomen... toen waart ge bezig aan die strook’. Het is het soort detail dat men niet verzint, Multatuli wist bovendien niet, toen hij de Havelaar schreef, dat hij de door J. van Vollenhoven gepubliceerde documenten nog eens daarmee zou moeten toelichten! En dan deze woorden verderop, die alles nòg geloofwaardiger maken: ‘Weet ge wel, ging hij voort, dat wij de rekening van dien dokter nog niet betaald hebben,... o! dat is zeer hard!’

Pahud echter stuurt hem het overgelegd certificaat van de dokter en de opnieuw aangeboden akte van borgtocht terug, met een herhaalde weigering.

Twee dagen later meldt Dekker dat hij passage heeft genomen op het schip India van de firma Van Hoboken en Zoon, maar dat tot zijn leedwezen dit schip eerst in het begin van de volgende maand vertrekken zal. Na weer vijf dagen - heeft hij zijn goede wil nu niet bewezen? - schrijft hij de minister dat hij ‘zich buiten staat gevoelt sterkere gronden aantevoeren’, maar ‘zich wenschte te verzekeren... tot het laatste toe alles gedaan te hebben wat menschelijk mogelijk is om zich en de zijnen te redden uit de noodlottige positie waarin hij door eenen samenloop van omstandigheden en buiten zijne schuld gekomen is’, en daarom ‘de vrijheid neemt met den meesten eerbied, doch tevens met al den aandrang der wanhoop Uwer Excellentie te verzoeken alsnog wel te willen terugkomen op de afwijzende beschikkingen’.

Ditmaal schijnt de aanhouder te zullen winnen: een secretaris antwoordt dat de minister genegen is tot een voorschot van vier maanden verlofstraktement, onder behoorlijke borgstelling.

Dekker geeft de verzekering ‘dat hij niets liever wenscht dan door eene ijverige pligtsbetrachting den verkeerden indruk uit te wisschen’, maar dat, ‘hoe hoog hij ook deze welwillendheid

[p. 220]

van Uwe Excellentie waardeert, hij echter zich veroorlooft Uwe Excellentie eerbiedig onder de aandacht te brengen, dat zijn nood en die van zijn gezin zoo hoog geklommen is, dat ook die gunst niet tot het doel, hetwelk hij zich voorstelt, een spoedige terugkeer naar Indië, zoude kunnen leiden’, en dus hoopt alsnog een voorschot van f 2000 te ontvangen, waarvoor hij weer de akte van borgtocht opzendt.

Het antwoord is dat aan de Koning machtiging wordt verzocht en of de borgen, naast hun handtekening, eigenhandig willen schrijven: ‘goed voor twee duizend gulden’.

De heer Zellner doet het; de heer Coorengel echter is sedert veertien dagen op reis, zodat Dekker verzoeken moet ‘den Heer Minister voortestellen in deze slechts gedeeltelijke voldoening voor het oogenblik wel goedgunstig te willen berusten’.

Nog vóór deze brief verzonden werd, heeft de secretaris bij de firma Van Hoboken geïnformeerd of het waar is dat Dekker passage heeft besproken. De firma antwoordt bevestigend.

Drie dagen later heeft de Koning machtiging verleend en wordt de Ned. Handel-Mij uitgenodigd de f 2000 uit te betalen.

Begin Mei 1855 ging Dekker op de India naar de koloniën terug.

8

Het is heel wat moeilijker Dekker te verdedigen in zijn officiële correspondentie met Pahud, dan in onverschillig welk ander conflict met ambtenaren. Men kan zeggen dat hij wanhopig was, maar hij loog dan ook met de moed der wanhoop; men kan niet zeggen dat hij niet door eigen schuld in die wanhopige situatie was gebracht, terwijl iedere edele noodzakelijkheid tot deze eigen schuld ontbreekt; misschien moet men zelfs zeggen dat hij door deze historie een al te groot vertrouwen had opgedaan in de overtuigingskracht van zijn stijl en de koppigheid van zijn wanhoop, en dat de Lebak-zaak

[p. 221]

hier nog maar een logisch gevolg van lijkt. In ieder geval is hier geen zweem van rechtvaardiging mogelijk op ambtelijk terrein; men zou hoogstens naar andere ambtenaren kunnen verwijzen die zich misschien even ‘knap’ uit soortgelijke situaties hebben ‘gedraaid’. En de kwestie liegen-uit-wanhoop daargelaten, om de geld-kwestie te bekijken, kan men maar één ding zeggen: voor hen voor wie geld het voornaamste is, is hij ook hier volstrekt onverdedigbaar. Niet alléén voor die, maar voor die zeker.

Het treffendste wat ik in dit opzicht gelezen heb - de beste verdediging ook - is de volgende verklaring van de door multatulianen zo geconspueerde dr Swart Abrahamsz: ‘Terwijl de meerderheid der menschen zichzelf en anderen, behoudens zeer grove moreele of intellectueele gebreken, uitsluitend taxeeren naar de hoe-grootheid van hun persoonlijk eigendom, verwaarloosde Dekker deze factor geheel en al. Het was werkelijk alsof hij meende, dat geest en gevoel het eenige noodige was op aarde, en dat, zoo men slechts daarmede was toegerust, al het andere u zou worden toegeworpen’.

In October 1855 op Java teruggekomen, stelde Dekker zich ter beschikking van de Gouverneur-Generaal, maar een nieuwe post was niet dadelijk open en intussen werd hij op wachtgeld gesteld. Hij bleef te Batavia, maar kwam in Buitenzorg meermalen ‘aan het hof’ bij Duymaer van Twist. Zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, man van Tine's zuster, woonde in Buitenzorg, en de waarnemend secretaris en vertrouwde van de Gouverneur-Generaal, de heer E. de Waal, was getrouwd met een nicht van Tine. Duymaer van Twist zag Dekker dus bij herhaling en had zeer met hem op. Hij beschouwde hem zelfs als zeer bekwaam.

Van Twist, op dit tijdstip 46 jaar oud, was in de eerste plaats misschien een uitnemend rechtsgeleerde, maar voor ieder ook gold hij als een rechtschapen man. In zijn brochure Over Vrijen-Arbeid zou Multatuli in 1862 zijn karakter aan deze reputatie demonstreren, toen hij sprak over hen ‘die uw koelheid nemen voor ernst, uw droogheid voor wijsbegeerte,

[p. 222]

uw stijfheid voor standvastigheid, uw zondeloosheid voor deugd’, en in diezelfde passage verwijt hij hem zijn lidmaatschap van ‘die onzalige, vervelende, geheel beneden hare roeping staande Tweede Kamer’, maar reeds vóór hij Gouverneur-Generaal werd, was Van Twist met ere lid van die Kamer geweest. Hij had Thorbecke aanvankelijk bestreden, ondanks alle bewondering die hij voor zijn gaven koesterde, maar hij was tenslotte een warm vriend van hem geworden. De latere liberale minister van koloniën Fransen van de Putte getuigde van Van Twist's redevoeringen dat zij werden uitgesproken ‘in den logischen vorm, waarvan hij het geheim bezat en naar geene andere methode dan deze, om uit de eenvoudigste beginselen op te klimmen tot het meer samengestelde, om den gespannen toehoorder wel te doen gevoelen, dat de slotsom die hij voordraagt, het noodzakelijke uitvloeisel is van een keten van de eenvoudigste, met elkander door een onverbreekbaren band samensluitende redeneeringen zoodat, indien men met hem den eersten mijlpaal van den weg heeft afgelegd, men noodzakelijk de geheele reis met hem moet ondernemen en tot de erkentenis moet komen dat werkelijk zijn weg de kortste, de beste, de zekerste is’. Van Twist's biograaf prof. Van der Lith*, die deze woorden citeert, voegt eraan toe zijn eigen visie op ‘den jongen, slanken redenaar uit die dagen’, gelijkend op die ‘Engelsche staatslieden uit de gulden tijden van het Britsche parlement, die niet door gloed en hartstocht eene vergadering trachten mede te slepen en te bezielen, of door geestige en schitterende redeneringen hunne medeleden zoeken te verrassen, maar die door het gewicht hunner argumenten, in kalmen doch keurigen betoogtrant voorgedragen, hunne omgeving overtuigen, en slechts zelden op het gemoed, maar des te meer op het verstand hunner hoorders werken’. Dit zal dan ook wel verklaren hoe hij enerzijds door hartstochtelijker sprekers vaak werd geschokt en

[p. 223]

gekwetst, anderzijds, naar prof. Van der Lith althans meent, zich later nooit werkelijk rekenschap gaf van de schade die Multatuli hem berokkende toen deze zijn bedreiging ten uitvoer bracht om hem te zwepen tot ‘uw naam, en het gemis aan denkbeelden dat gij vertegenwoordigt, den Volke zal wezen tot een braakmiddel’. Van Twist, meende een van zijn familieleden, had ‘geen begrip van den ontzaglijken invloed van Multatuli’ en het ontging hem ‘welk een kracht er uitging van een stijl en een wijze van zeggen, zooals Douwes Dekker bezat’. Hij meende, vanuit de aan zijn temperament verbonden logica, dat Dekker oneerlijk en onwaar was, zooals Dekker, op dezelfde gronden, alle recht had van hem te denken.

Toen in 1851 de liberale Bruce tot Gouverneur-Generaal benoemd werd, maar, op het punt de reis naar Indië aan te vangen, op de rede van Texel overleed, was het Thorbecke die geen beter persoon zag om hem te vervangen dan Van Twist. Deze echter voelde zich voor de taak niet voorbereid en wenste gebruik te maken van het voorstel van de ex-Gouverneur-Generaal Baud om met hem naar Indië te vertrekken. ‘Het plan lachte mij toe, schreef Van Twist later zelf, en ik was diep getroffen door het belangeloos offer dat Baud, in zijne omstandigheden en op zijn leeftijd, zich bereid verklaarde te brengen. Ik verklaarde mij bereid het te ondersteunen; zelfs kwam het denkbeeld bij mij op, het te stellen als voorwaarde mijner aanvaarding van het G.-Generaalschap’*. Maar Thorbecke voelde niets voor het plan en vertelde in een kamerzitting in 1864 het geval aldus: ‘De meest bekwame pleegt de meest bescheiden man te zijn, zóó ook de heer Duymaer van Twist. Hij vond groot bezwaar naar de Oost te gaan, maar verklaarde zich evenwel daartoe genegen, indien hij den Heer J.C. Baud mocht medenemen. Toen de Heer Van Twist mij dit zeide heb ik geantwoord: Ik heb u voorgedragen, maar gij gaat alleen of gij gaat niet’.

[p. 224]

Van Twist was zonder Baud gegaan en, man van studie, had hij zijn tijd in Indië niet verloren; vooral om zijn studiereizen werd zijn bewind vermaard, en op een van deze gebeurde het ongeluk met Dekker's gewezen chef op Ambon, de heer C.M. Visser. Men roemde de rechtschapenheid en in zekere zin zelfs de voortvarendheid van zijn optreden. Na Dekker's vertrek waren onder Van Twist belangrijke wijzigingen gebracht in de opium verkoop; verschillende havens de vrije handel opengesteld; een nieuw regeringsreglement was ingevoerd. Gematigd in zijn liberalisme, en als liberaal een man van het behoud, verenigde zijn figuur dingen in zich, die de juist uit Europa teruggekeerde assistent-resident moesten aantrekken.

In menig opzicht kon Dekker in Van Twist een hervormer zien, en diens waardering ontmoette hem op een psychologisch moment. Hij putte er een nieuw optimisme uit, dat hij ook wel nodig had. Hij had overal schulden gemaakt en zelfs van de twee oude tantes van Tine geld geleend, wetend dat het eigenlijk van hemzelf kwam, overtuigd dat hij het spoedig zou teruggeven en voort zou gaan hen, als tevoren, te steunen. Aan het hotel Führi ook was hij een grote som schuldig gebleven. En nauwelijks in Indië terug, ontving hij, het ene na het andere, de getuigenissen van zijn als altijd slordige administratie van Menado. De officiële stukken door Joost van Vollenhoven gepubliceerd, sparen ons ook hier niets. Na vele berekeningen bleek Dekker nog te moeten worden belast met: als secretaris, vendumeester, algemene ontvanger, en president van de Weeskamer, tezamen f 1146.56*. De catastrofe van Lebak maakte een eind aan alle goede voornemens en iedere practische mogelijkheid van terugbetaling. Toen Dekker zijn ontslag nam, was hij na zijn terugkeer in Indië nog maar 6 maanden ambtenaar geweest, waarvan de 3 eerste op wachtgeld. In 1862 was hij de Indische Administratie in totaal nog schuldig f 2398.66½, waarop ‘geen verhaal mogelijk’

[p. 225]

was, ‘uithoofde van den hoogst ongunstigen geldelijken toestand’ waarin hij toen verkeerde. Men kan er althans zeker van zijn dat deze schuld hem het lichtst gewogen heeft van alle.

Terwijl hij te Batavia wachtte op een nieuwe aanstelling en deze rekeningen van de Algemene Rekenkamer binnenliepen, moet hij zich vaak verre van prettig gevoeld hebben; het europese verlof was toch al allesbehalve zenuwstillend geweest. In deze tijd begon hij zich dan ook eindelijk ernstiger bezig te houden met het mysterieus verdwenen familievermogen van zijn vrouw en haar even mysterieus verdwenen cassette. Men leest hierover in de Havelaar: ‘Eerst kort na het terugkeeren naar Java, toen hij reeds veel geleden had onder den druk van geldgebrek, toen hij zijn fier hoofd had moeten buigen onder de “furca caudina” van menigen schuldeischer, had hij zijn traagheid of zijn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de millioenen die hij meende nog tegoed te hebben. En men antwoordde hem met een oude rekening-courant, een argument, zooals men weet, waartegen niets valt in te brengen’.

Van zijn verhouding tot Tine in deze dagen blijkt iets uit de volgende anecdote, door de heer Van Sandick meegedeeld, dezelfde die de Lebak-zaak zo bezadigd zou analyseren. Op een avond vóór het eten zat mevrouw H., nog een nicht van Tine, in haar voorgalerij aan het Koningsplein, toen een huurrijtuig het erf opreed; daaruit stapte Tine, die op haar toeliep met de woorden: ‘Dag nicht, hier ben ik. Ik kon het thuis niet uithouden. Dekker is een duivel!’ Mevrouw H. vraagt niet wat er gebeurd is, maar haalt Tine over om te blijven eten, daarna kalm wat te praten en dan eerst naar huis te gaan. Tine gaat in een zijkamer een briefje aan haar man schrijven dat ze niet thuis zal komen eten. ‘Maar [zij] was nauwelijks [daarmee] begonnen, toen Dekker de trappen van de voorgalerij opstormde; hij was blijkbaar zeer overspannen. Mevrouw H. verwelkomde hem zoo ongedwongen mogelijk en wees hem een stoel aan. Dekker begon dadelijk verbazend

[p. 226]

druk te redeneeren. Tine hoorde zijn stem, ze liet haar brief je in den steek en kwam ook naar voren. En daar zaten nu Dekker en Tine, alsof er niets gebeurd was. Mevrouw H. vroeg hen beiden ten eten. 't Werd een allerprettigste avond. Dekker schitterde van vernuft, sloeg paradox op paradox, deed allergrappigste verhalen, en de beide dames, Tine en mevrouw H., schaterden het telkens uit van het lachen. 't Spreekt wel vanzelf dat mevrouw H. tact, kieschheid genoeg bezat om met geen enkel woord een toespeling te maken op de aanleiding tot hun samenzijn. De avond vloog om. Toen het laat werd liet mevrouw H. inspannen. Opgewekt, vroolijk, gelukkig reden Tine en haar man, in de beste harmonie, samen weg.’ Vóór het naar bed gaan kwam mevrouw H. met een kaars in de hand in het zijkamertje en vond daar het papier waarop Tine was begonnen te schrijven. De brief was nog niet ver gevorderd; bij het kaarslicht las mevrouw H. twee woorden: ‘Lieve engel’. Zij moest lachen, denkend aan het Dekker is een duivel’ waarmee Tine was binnengekomen.

*Men vergelijke dit met wat hij in 1882 uit Nieder-Ingelheim aan W.A. Paap schreef: ‘Ik ben zeer blij dat ge het besluit genomen hebt niet “de letteren” als vak te kiezen. Het is geen vak! Om in letterkunde iets degelijks te leveren, moet men er niet in doen. Om iets uit den sloot te visschen, moet men niet in de sloot gaan liggen, men moet met behoorlijk gereedschap er naast staan’.
*Volgens J. van Vollenhoven, Multatuli en congé. Het is natuurlijk ook niet uitgesloten dat Dekker al een groot deel van het geld anders had opgemaakt, zodat hij nog maar een betrekkelijk klein deel verspelen kon toen hij naar Spa ging.

*Dit is al geheel de toon van de latere armoede, na Lebak. Iemand zei mij: ‘Het is jammer dat hij nooit twijfelde aan zijn gelijk; God heeft zich vergist als dramaturg met dit personage. Het zou veel aangrijpender zijn geweest als later, in dat brussels hotelletje, iemand gezeten had die zeggen kon: Ik ben altijd ontoerekenbaar geweest, maar nú heb ik gelijk en ze begaan een misdaad aan me!’
*Noot van de christelijke deurwaarder: ‘Multatuli's Gebed van den Onwetende is het eerst in hem opgekomen toen hij zijn geld verspeeld had, het is fraai’. - Het is niet precies zo; het lijkt meer op Job. ‘Als ik in mijn bittere nood en met mijn goed hart geen geld krijg aan de speeltafel, waarom geeft God het dan zo rijkelijk aan harteloze egoïsten?’

*Ik heb in de hier gegeven lezing ter wille van de plaatsruimte enige literaire opsmuk geschrapt, maar er is, lijkt mij, genoeg van overgebleven om te zien hoezeer de brief ernaar streeft een novelle te zijn.

*In verband te brengen met zijn brief aan Tine van begin '53 waarin hij inderdaad, nauwelijks in Europa, spreekt over de mogelijkheid ‘die zaak van f 30 m. in orde te brengen’. Het betreft hier een nogal geheimzinnige zaak, die men uit de Havelaar en onvolledige aantekeningen van Mimi reconstrueren moet. In haar verlovingstijd, op Parakan Salak dus, was aan Tine een cassette met familiepapieren ontstolen. Volgens Dekker moest deze bewijzen bevatten van haar recht op de erfenis van haar grootvader Van Wijnbergen, die zeer rijk geweest moest zijn. Maar men liet hem een oude rekening-courant zien, volgens welke alles sinds lang verrekend bleek. Dekker bleef de zaak echter wantrouwen, en in het bijzonder een zekere heer Kerkhoven, bankier te Amsterdam, die ook familie van Tine was. (Later vermoedt hij dat deze heer de twee tantes van Tine tegen hem opzet.)

*In Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde (1891). Zie ook de biografie van Van Twist door dr J. Zwart (1939).
*Dit en het volgende citaat eveneens uit het Levensbericht door prof. P.A. van der Lith.
*Zie, voor de specificatie, hfdst. Bagelèn, Menado, Ambon, § 3 voetnoten.