[p. 45]

Reprise (na 6 jaar)

 
Zo schreef ik. Want wat wist ik van uw zonden?
 
ik, op mijn tenen onder uw portret.
 
Een kind kon niet uw hoog gemoed doorgronden:
 
gij leekt mij schoon als een beheerst gebed -
 
 
 
Ik zag niet dat uw mond zovele monden
 
gelaafd had, dat gij steeds weer hadt gered
 
de door uw schoonheid reddeloos gewonden,
 
gevend uzelve, schroeiend, onbesmet.
 
 
 
Enige gave in dit armzalig leven,
 
van god of duivel die ons 't leven gaf,
 
o gif-en-tegengif, vóór 't feilloos graf!
 
 
 
En wat daar in uw ogen stond geschreven
 
was koele haat en minachting voor straf,
 
en bittre spijt niet méér te kunnen geven.