E. du Perron
aan
J. Pée

Bergen, 31 maart 1940

Bergen (N.H.), 31 Mrt. '40.
Nesdijk 19.

Zeer geachte Heer Pée,

Morgen ga ik naar Amsterdam om met Stuiveling en die heeren van ‘Contact’ over de complete Mult.-uitgave te spreken, en zal hun dan vragen u die 12 brochures6873 te zenden. Als ze het doen, komt het u op ± 60 ct. per ex. (de ‘gewone’ prijs is 90 ct.), dus f 7.20 voor het dozijn. In belgisch geld wordt dat misschien nog een heel bedrag, niet?

Ik hoop dat de verdere besprekingen een goed resultaat zullen opleveren.

Uw brief las ik met genoegen. Ik zie Ter Braak ook morgen en zal hem zeggen dat uw antwoord nog zoo gauw niet verschijnt. In verband daarmee nog een en ander:

Dat Mimi Edu ‘avances’6874 zou hebben gemaakt, in ‘onoirbaren’ zin, staat er niet. Sietske kan bedoeld hebben dat Edu haar op een afstand hield, toen zij trachtte zich hem te vriend te maken. Ik zeg dit, omdat men anders zeggen zal dat ‘wij’ ook venijn-zuigen.

Die brief van Nonnie uit Potok6875 is natuurlijk prachtig.

Publiceert u ook passages uit het dagboek van Mimi?6876

Is u zeker dat Edu al het gemeens verzonnen heeft? Die tante Annetta ziet eruit alsof ze zelf tot indrukwekkende prestaties op dit gebied in staat is. Haar heele toon is daar garant voor, haar portret (door u geopenbaard)6877 al niet minder.

Het fransch van Edu was in die brieven uit Saronno inderdaad nogal treurig; ik zag ook die ‘appâs’ en die mooie vorm ‘faire retour en Hollande’, en ‘si je demanderai’, maar het staat zoo frikkig om overal sic achter te zetten. Bovendien, elke vreemdeling schrijft slecht fransch, als je erop letten gaat, en het fransch van Multatuli is ook verre van vlekkeloos; en Edu was op dat oogenblik nog geen leeraar fransch, later zal hij die fouten wel niet meer gemaakt hebben.(‘Commédies’ is natuurlijk typisch ‘italiaansch’.) In Holland vindt men dat iemand perfect fransch kent, als zijn uitspraak dragelijk is; Edu zal ook wel beter fransch gesproken hebben dan die heeren van Sappemeer en Gouda, die zijn ‘rivalen’ waren. Ik vind dit heele leeraarsgedoe een beetje zwak; als Edu's ergste fout was dat hij een slecht leeraar was, zou het een sympathiek personage kunnen zijn zonder moeite. Zijn meedoen aan herdenkingen van den vader dien hij zoo haatte vind ik zijn naarsten kant.

Haighton is een notoire ploert, zegt iedereen, en André Billy, dien u met hem vergelijkt, zeker 10 × behoorlijker. Die heeft tenminste een zeer leesbaar boek over Diderot geschreven6878 en af en toe geest betoond - al is het van de parijsch-journalistieke soort - terwijl Haighton niets presteerde, behalve den ouden Van Deyssel opkammen, en een paar politieke brochuretjes waarin hij vertelt dat het een zegen voor Holland zou zijn als Duitschland het won.6879 En o ja, hij heeft ook nog een boekje volgeschreven om te vertellen dat Jeanne Reyneke van Stuwe een van onze grootste schrijvers is, wat zelfs de H.B.S.-ers doet lachen.6880

Bent u zoo dol op Zola? Ik ben het over hem vrijwel met Billy6881 eens; ik heb het al een vervelend auteur gevonden toen ik hem als jongen inkeek ‘om de gemeenigheid’, en ik vind hem nog altijd even vervelend. Dat Le Rêve en de Contes à Ninon zoo licht en mooi zijn, is ook een bakerpraatje, en alleen relatief waar; als ik lichte mooie dingen wil lezen vind ik in de fransche letteren gemakkelijk 10 × betere, vooral èchtere, dingen. Kortom, die bewondering voor Zola, die typisch ook uit de dagen van ‘tachtig’ is, heb ik nooit kunnen deelen, en ik geloof dat mijn heele generatie - ook in Frankrijk - volkomen onverschillig tegenover Zola staat, de socialisten natuurlijk uitgezonderd, die hem niet afvallen om andere dan literaire redenen. - Dat grapje van de Canard dat ze liever het werk van Zola lezen dan het werk van Billy is natuurlijk wel erg faciel; ik zou daarop antwoorden dat Billy tenslotte niet bestaat, maar dat ik voor het ééne boekje Adolphe van Constant bv. het heele oeuvre van Zola cadeau geef, - of voor Candide, of voor Le Rouge et le Noir, - en dat zou dan weer mijn goed recht zijn. Het is toch wel typisch dat men vanaf de generatie van Bourget wèl Stendhal verslindt, wèl Balzac nog steeds (en ondanks alle langdradigheid), terwijl Zola zoo onverteerbaar lijkt. Wat Zola misschien voor u is, - wat hij althans voor Van Deyssel en zoo was, is Stendhal voor ons.

Daarom is het ook zoo typisch dat van Multatuli zoo'n herleving plaatsheeft, bij de ‘oudere en jongere Jongeren’, zooals Ter Braak het noemt.

Ik zou u afraden uw strijd met de Schoondochter in het fransch te leveren, omdat juist zeer veel Multatuli-liefhebbers menschen zijn die geen of slecht fransch lezen.6882 Die missen het dan, en degenen die u er als lezer voorin de plaats krijgt, ‘gelooven’ het, zonder werkelijk te kunnen oordeelen. Hoogstens zou u de heele zaak in een fransch artikel kunnen resumeeren, maar als u op de verschillende details van die familie-historie ingaat, zou dat m.i. toch in dezelfde taal moeten, waarin zoowel Mult. en de Zijnen als het boek van tante Annette verschenen zijn. Daarmee kunt u ook veel meer Mult.-haters de pest injagen, en dat is toch een belangrijk deel van het plezier van onze Mult.-verdedigingen. Zonder dat zou men op de ‘reputatie’ van Mult. als schrijver kunnen wijzen en ze verder laten praten.

Ik sluit hierbij een brief in, die een typisch-hollandsche reactie geeft op mijn brochure; van het intelligent-hollandsche soort. De schrijfster is dr. Annie Romein-Verschoor, vrouw van prof. Jan Romein, die het trouwens geheel met haar eens is. Beiden zéér verdienstelijke historici, zooals u wschl. weten zult, en Annie heeft nu juist het portret van Multatuli gemaakt voor het 4e deel van hun Erflaters van onze Beschaving (een voortreffelijk werk). Dergelijke reacties kreeg ik ook van prof. P.N. van Eyck, van J. de Kadt, schrijver van Het Fascisme en de Nieuwe Vrijheid en een zeer goede studie over Georges Sorel, uitnemend socioloog en groot bewonderaar van Multatuli. Volgens De Kadt bv. was Haighton nog een trap waard, maar de Schoondochter niet meer dan een voetnoot en een verachtelijk gebaar.*

Al deze menschen hebben zich schijnbaar best geamuseerd met mijn brochure, maar vinden het verder... jammer. Ik begrijp dat wel, maar het is mijn standpunt niet. Ik schrijf zoo'n ding met een soort 18e-eeuwsch plezier in het pamfletteeren, en het duurt zoolang de lust duurt. En als die menschen er door geamuseerd worden, vraag ik me af waarover ze verder zitten na te denken. Dat de Schoondochter, de D. Hansen en Van Duinkerkens en zoo er weer flink kwaad om worden, staat vast. Verder is zoo'n brochure uiteraard iets voorbijgaands; over 5 à 6 jaar een curiosum voor Multatuli-bestudeerders, zooals de brochures van Van Vloten, van Loffelt, van Swart Abrahamsz,6883 van Frank van der Goes etc. etc. De Hollander heeft het altijd noodig zijn ‘gravité’ erbij te halen, zelfs als zijn lever gekitteld wordt. Maar daar moet men, in dit land, rekening mee houden, en veel van wat mevr. Romein zegt, is waar. Alleen ziet zij de opinie van wat zij ‘denkend Holland’ noemt over Multatuli, veel te optimistisch.

Ik eindig voor heden en houd u verder op de hoogte na de bespreking in Amsterdam.

Met vriendelijke groeten steeds uw dw.

EduPerron

6873Multatuli en de luizen.
6874Op p. 368-369 van De waarheid over Multatuli en zijn gezin gaf Annetta Douwes Dekker een uitvoerig citaat uit een brief van Sietske Swart Abrahamsz aan Edu Douwes Dekker. Sietske vond de pogingen van Mimi om toegang tot Edu's hart te krijgen tactloos en gaf haar neef Edu gelijk dat hij afstand had bewaard.
6875Julius Pée publiceerde in ‘Nonnie’ in: Onderzoek 2 (1940) 1, p. 1-7 een briefje van Nonnie aan haar vader van begin februari 1880 uit Potok bij Krosno in het destijds Oostenrijks-Hongaarse Galicië. Zij schreef daarin: ‘Vraiment, on ne peut pas compter sur Ed.’.
6876Pée citeerde in zijn artikel ‘Edu’ op p. 67-70 uitvoerig uit Mimi's dagboek (Multatuli, Volledige werken XV, p. 276-277, 279-281 en 301).
6877Multatuli en de zijnen, p. 350.
6878Diderot. Parijs 1932.
6879O.a. Waarheen voert Mussert? Oisterwijk (1937) en De crisis ontmaskerd. Oisterwijk 1939.
6880Over Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe. 's-Gravenhage 1938. De nieuwe gids bibliotheek 1 (eerst verschenen in De nieuwe gids 1929).
6881André Billy liet in zijn kroniek van 23 maart 1940 ‘Le centenaire de Zola et celui d'Alphonse Daudet’ in Propos du samedi (Parijs Mercure de France 1969, p. 162-163) een voorkeur blijken voor Daudet boven Zola zonder evenwel een duidelijke keuze te maken.
6882Pée publiceerde ‘Edu’ in Revue des langues vivantes / Tijdschrift voor levende talen in het Nederlands.
*Inderdaad juist overigens, als ik een Multatuli-biografie schreef; maar dat is hier toch het geval niet?
6883J. van Vloten. Onkruid onder de tarwe, Letterkundige karakterstudie. Haarlem 1875; Th. Swart Abrahamsz. Eduard Douwes Dekker(Mullatuli), Eene ziektegeschiedenis. Amsterdam 1888.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie