E. du Perron
aan
D. de Vries

Buitenzorg, 1 augustus 1939

Dinsdagmiddag.

 

Beste de Vries,

Ik was vanmorgen op 't Bat. Gen. en gaf fl. 26. aan Bernet Kempers. Er waren verscheidene G.G.'s dubbel, 1 werkelijk (Reiniersz) en 4 of 5 van ‘vóór en na de restauratie’; daartegenover staat dat er 6 ontbraken: 2 die ik al heb, maar die ik nu juist dubbel wilde hebben (Van Goens en Camphuys) en dan: Durven, De Eerens, De Graeff, De Jonge. Ik heb Frank opgebeld. Hij had influenza en zei dat hij de clichés niet had kunnen vinden; vmdl. gebroken; maar dat hij probeeren wou om nieuwe clichés te laten maken door het Dep. v. Onderwijs. Lukt dat niet, dan zal Nix zeker die 4 clichés willen betalen. Ik heb dit B.K. allemaal gezegd en hij heeft het genoteerd, - maar zou jij er nog even ‘achter willen zitten’? (Als je toch op de Bibl. komt.) Laat me die 6 afdrukken dan naar Holland sturen: p/a fam. Batten, Sportlaan 125, Den Haag. - B.K. wist niet voor wiè die fl. 26. Voor jou? Voor Frank?

B.K. was zeer geschikt, wilde zelfs naar de boot, wat ik hem van harte heb ontraden. 1o omdat ik het iedereen ontraad, want het blijft een onbevredigend samenzijn, waarin je elkaar toch niets behoorlijks meer kunt zeggen; 2o omdat hij er toch wel erg raar zou staan, tusschen de Indonesiërs die mij wschl. wèl zullen ‘wegbrengen’. - Dan nog dit staaltje van conversatie, dat je precies kan aangeven wat ik steeds meer heb tegen ‘fatsoenlijke menschen’. Bij 't afscheidnemen zei Gilde6167 tegen me: ‘Nou, en u reist Zentgraaff na’ - waarop ik antwoordde: ‘Och ja, misschien dat ik hem dààr in het graf krijg, wat me hier niet gelukt is’. Waarop B.K.6168 behoefte kreeg te vertellen, dat hij juist nu met zooveel plezier zat te lezen in Sumatraantjes, en toen ik gevraagd had: ‘O ja, is dat nogal goed?’ - toen moest hij ook nog zeggen dat hij trouwens Atjeh ook zeer geboeid had gelezen. Ik vroeg hem of hij 't misschien ook goed geschreven vond (je kan nooit weten, nietwaar), maar dàt deed hij toch niet. Ik zei daarop dat ik 't bovendien toch ook wel een oneerlijk boek vond, waarop hij zei: ‘Dat zou ik niet durven beweren’.

Zie je, dàt hindert me nu, dat deze wetenschappelijke menschen zoo verdomd weinig durven! Waarom zou iemand, die in iedere levensuiting oneerlijk is, opeens een eerlijk boek schrijven - en dan over zooiets als Atjeh, voor een koloniaal publiek? Alle factoren zijn aanwezig om zelfs de meest angstige historicus te steunen in de opinie dat zoo'n boek oneerlijk moet zijn. En zooniet, dan alleen eerlijk op H.B.S.-ers-peil; zooals de boeken van Karl May ook niet oneerlijk zijn, of althans geen nadere beschouwing op dat punt vergen. Ik heb B.K. gezegd dat ik, geen H.B.S. er meer zijnde, mij met deze oneerlijke boeiendheid niet langer kon vergenoegen, en wilde toen nog wat staaltjes vertellen die dr. Van Leent, onverdacht oud-Atjeh-man uit de ‘groote’ periode van de maréchaussées (1895-1899), mij in B. zorg vertelde - over het karakter van Christoffel6169 o.a., een intrigant voor alle mede-officieren; maar toen bleek Gilde met v. Leent gewerkt te hebben en vertelde een paar zeer grappige anecdotes over v. Leent, en toen moest B.K. weer verdwijnen.

Ik onthoud uit deze heele passage één ding: dat een door en door fatsoenlijke vent als B.K., zelf wetenschappelijk hoogst eerlijk natuurlijk, opeens niet meer durft beweren dat zoo'n eenzijdig relaas, door een journalist, die altijd sergeant-schrijver6170 gebleven is, als ‘stylist’ èn als ‘denker’, oneerlijk is, omdat... ja, omdat wat eigenlijk? Het is deze afzijdigheid, deze wil tot toch-nog-waardeeren van zulke kerels, die zulke kerels - en daarmee de poep - in de indische samenleving houden. Ik kan dit, met al mijn eerlijkheid, en dus afstand doende van alle persoonlijke grieven tegen Z., niet anders voelen dan als: dun. Vind je dit onjuist van me?

Het is hiermee al net als met allerlei ‘historische appreciaties’, de Hollander denkt dat hij juist ziet, als hij de scherpe kantjes eraf heeft geslepen, als hij ‘ieder het zijne’ heeft gegeven (dwz. dènkt, dat te hebben gedaan). Ik sprak er zoonet met Verhoeven over, die zelf tot zulke conclusies kwam, - wat daarom nog niet zeggen wil dat hij met kracht en overtuiging anders zal doen, - en die deze aardige opmerking maakte: ‘Ja, zulke bezonnen geesten willen zóó hun best doen om eerlijk te zijn, dat ze daardoor juist oneerlijk worden’. Ik vind dit een uitstekende formule, jij niet?

Enfin, als deze oordeelen juist zijn, ziehier de conclusie, - en dan wil ik ook geen andere, geen verzachterij, niks:

a.Zentgraaff heeft een bèst boek over Atjeh geschreven;
b.du P. heeft ongelijk gehad daar niet heelemaal lovend over te schrijven;
c.Z. heeft gelijk gehad du P. uit te moeren;
d.du P. heeft ongelijk gehad te riposteeren.

Halve goedpraterijen vind ik onzin. Het gaat tusschen wat ik ben en wat Z. is; als de menschen die ik voor eerlijk en fatsoenlijk houd, lust hebben te ‘onderscheiden’, maar met een conclusie die òf is zooals hierboven, òf toch een flink eind die richting uitgaat, - wat zouden we ons dan verwonderen als voor het patjepeeërdom Z. ‘unbedingt’ een groot man is? - Ik ben, vrees ik, ten eenenmale onbruikbaar voor dit soort eerlijkheid. Je weet dat ik niet eens dol ben op... laat ons zeggen Helman; maar als morgen Helman botste tegen... laat ons zeggen Veersema (die toch nog een stùk beter is dan Z. en die mij juist altijd nogal bijviel), dan zou ik toch werkelijk geen plezier erin vinden om nog uit te maken wie goed en wie verkeerd deed.

Ik ben, door deze Z.-historie, ook weer wijzer geworden. En een beetje bitterder ook. Het gevoel van ‘reken alléén op jezelf’, als je eens werkelijk wat ‘durft’, is overigens heel gezond natuurlijk, en zelfs met wijsgeerige argumenten te beantwoorden. ‘Zóó is het goed, zóó moet het zijn’, als in 't gedicht van Jan van Nijlen.6171

Schrijf me nog eens naar Holland. En als je nu tòch Mult. uitgeeft, overweeg nr. aanl. van deze kleinigheid van mij, van zulke kleine dingetjes in mijn indische 2¾ jaar, hoe ongelooflijk zuur en ellendig het hèm gemaakt is, juist door allerlei brave en eerlijke menschen (denk eens aan: V. Twist, het ‘braakmiddel’, was heusch geen Zentgraaff!) en lees die passage over, die ik in Tw. Pleidooi citeerde over dat ‘per-soneel worden’, en voel eens een halve minuut na wàt het beteekent als hij verzuchtte: ‘O God, wat een menschen’!6172

Houd je taai, tusschen deze fatsoenlijken ook, in Indië, en geloof me, in Europa, hoogst onfatsoenlijk, je toegenegen

EduP.

6167Piet Gilde was administrateur van het Koninklijk Bataviaasch genootschap van kunsten en wetenschappen.
6168Dr. A.J. Bernet Kempers meent dat DP zich in de persoon vergist heeft; op die dag had hij Zentgraaff's Ajeh nog niet gelezen.
6169H. Christoffel was o.a. commandant geweest van de in Atjeh opererende tijgercolonne van de marechaussee en was berucht om zijn wreedheid; zie ook Vw 7, p. 10.
6170Zentgraaff had als sergeant het Nederlands-Indische leger verlaten.
6171Herhaalde regel uit de drie coupletten van ‘Optimistisch lied’ in Jan van Nijlen, Geheimschrift, gedichten. Haarlem 1934, p. 30.
6172In een brief van Douwes Dekker aan Tine van 14 november 1859 schreef hij: ‘O God wat voor menschen! -’, zie Multatuli, Volledige werken X, p. 109. Deze brief werd door DP uitvoerig geciteerd in Multatuli, Tweede pleidooi, p. 107-108 (Multatuli's naleven in Vw 4, p. 494-496).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie