E. du Perron
aan
F.R.J. Verhoeven

Bandoeng, 5 mei 1939

Bdg., 5 Mei '39.

 

 

Beste Bob,

Veel dank voor de 2 citaten uit Romein en de foto van de 3 kaalhoofdigen.* Ellen moet inderdaad een compliment hebben, want een psychiater zou mij niet scherper aan mijzelf onthuld hebben: het is een synthese van alles wat mij antipathiek is, - van Daladier, inderdaad, tot de Rotary-leden van de Kali Besar6067 toe (als die Rotary-leden telt). Was ik in de stemming, ik zou je hupsch poëem beantwoorden, zoo ongeveer:

 
‘De schalkschheid van een worst, mijn vrind,
 
‘Is wat gij op mijn trekken vindt,
 
‘Wat heb ik toch een vette kop,
 
‘Met zoo geen haar erbovenop;
 
‘'t Wordt tijd dat ik mijzelf ontvette,
 
‘Met kilo's van Adiposette...

enz. enz. Maar ik ben niet in de stemming. Het gelees in de 19e-eeuwsche bataviasche belletristen heeft me afgestompt en bovendien kan ik Het Diner van den Heer Notenkraker6068 niet meer vinden! Beklaag mij en zend mij gauw De Haan's slim notarissengezichtje. Groet Ellen hartelijk en heb zelf een hand van je dikke vrindje

E.

*Erberveld is het kaalst, maar ook het meest ontvleeschd!
6067Zakenwijk van Batavia.
6068‘Een ontbijt bij den heer Notenkraker, of het ongeluk van baar te zijn’ door Moestaël, in: Tijdschrift voor Neêrland's Indie 3 (1840) deel 2, p. 396-448 (Moestaël is een pseudoniem van Salomon van Deventer, zie Vw 7, p. 272).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie