E. du Perron
aan
F.E.A. Batten

Bandoeng, 1 april 1939

Bandoeng, 1 April '39.

 

 

Beste Freddy,

Eerst het administratieve afdoen. Vandaag wordt naar je verzonden een ex. Oud-Batavia. Maak je over de betaling verder geen zorgen; ik verreken dit wel op de een of andere manier met Nix. Aanvaard het als kleine contraprestatie van me, na al de moeite die je deed.

Nu je verdere desiderata. Ingesloten de gevraagde foto + 2 andere uit mijn prilste jeugd, ook voor Het L.v.H. Die met mijn vader, moeder en de min Nia (niet Alima!) is blijkbaar denzelfden dag gemaakt als de foto van Gedong Menu, die ik je al eerder zond. Het nr. van K. en O. met de 3e ronde tegen Z. (degene die hem tot zwijgen bracht) gaat ook de deur uit. De bespr. van Werk en Jan v. Nijlen heb je wschl. ontvangen nàdat je me schreef, die bestel ik dus niet na vóór ik van je hoor dat ze weggeraakt zijn; ze zaten, meen ik, ook in nrs. van K. en O. De bespr. v. ‘sociale poëzie’ moet weggeraakt zijn en bestel ik voor je; laten we hopen dat het B.N. er nog een ex. van heeft. Idem wat betreft dat Semarangsch huisvrouwenorgaan; ik heb aan een kennis van me in Semarang geschreven6014 dat hij moest probeeren er nog een ex. van te bemachtigen, - ikzelf weet het heele adres niet meer.

* * *

Nu kom ik aan je aanbod om de Hogendorp-papieren voor me door te zien. Zóóveel durf ik niet van je vergen, maar je kunt - om te beginnen - één ding doen. Stapel heeft de brieven uit Indië van Willem van Hogendorp aan zijn vrouw, geb. Carolina van Haren, doorgezien. Deze Willem is de vader van Dirk en Gijsbert Karel en de schrijver van Kraspoekol (de novelle, niet het toneelstuk, dat Dirk er later naar maakte). Volgens Stapel bevat dat pak indische brieven ook indische verzen, die natuurlijk prachtig zijn om bij Kraspoekol te doen, dat ik in mijn 2e deel belletrie opneem. Wil je die verzen voor me overschrijven? Althans, als het er niet te veel zijn. Anders het beste, en altijd bij voorkeur het meest indische eruit. - Heb je nog tijd, kijk dan ook even de corresp. door en meld me of daar curieuze details in staan: 1o over zijn bestaan in Indië, 2o over Compagnies-zaken en dgl., 3o over de verhouding tusschen hem en zijn vrouw.

Hiermee ben ik voorloopig zeer geholpen. Schrijf maar niets over uit de correspondentie, zeg alleen maar of die ‘psychologisch’ (dus voor ‘romanpersonages’) interessant is of niet. Als wij in Europa terugkomen, zal ik dan zelf wel die brieven lezen. Ik kan mijn verhaal over Dirk eig. toch niet publiceeren, zonder dit alles zelf althans gezien te hebben.

 

* * *

 

Nu sla ik een flink stuk in je brief over.* Dat waarin Greshoff ‘ongemanierd’ heet en zoo'n mispunt schijnt te zijn omdat hij naar Z. Afr. gaat. Je schijnt iets tegen hem te hebben, soit. Ik denk er anders over: ik vind hem een van de aardigste menschen die ik ken, mèt zijn tekortkomingen. Je zegt dat Arthur op zijn 70e nog zou bedanken; omdat hij jou voor kleine diensten en je moeder voor sambals bedankt. Dat is totaal verkeerde psychologie. Het is makkelijker voor sambals te bedanken, dan voor huldeblijken; Greshoff is verlegen, en in de ‘overvloedige belangstelling’ die hij had voor je moeder, je studie enz. heeft hij ongetwijfeld datgene willen uitdrukken dat je van hem verwachtte. Je bent er niet tevreden mee geweest dat is joùw goed recht. Maar nu iets anders: Arthur heeft nooit gereageerd op één lovende kritiek, brief of wat ook die ik hem over zijn boeken zond. Ik heb nooit een seconde gedacht dat dit ongemanierdheid was van ‘de groote Arthur’, maar het volkomen als vanzelfsprekend aanvaard, niet aan zijn menschelijkheid getwijfeld, enz. Blijkbaar ben ik in dit opzicht eenvoudiger of begrijpender of gauwer tevreden gesteld dan jij.

Dat ik je, in de opgewekte manier waarop ik je verwijtenbrief (wil je hem soms lezen?) heb meenen te moeten antwoorden, een poging tot vernedering ziet, is op het idiote af, maar als je 't zoo ziet, laten we er dan verder ook echt over zwijgen. Of mag ik geen grapjes meer maken met je, zonder voor donderaar door te gaan? Dat je mij nog steeds rancune toedraagt over je eigen ‘bewondering’ van mij, omdat jij zelf een soort Hitler-in-de-literatuur in me hebt willen zien, is toch mijn schuld niet? Het eenige wat ik wensch, is geapprecieerd te worden door mijn vrienden, oudere en jongere; van dergelijke bewonderingen moet ik een el of wat hebben, en ik geloof niet dat ik het ooit daarop heb aangelegd.

Ik ben niet ‘zelfgenoegzaam verzekerd’ dat ik zelf nooit irritant was, want als je mijn brief erop naleest, zal je zien dat ik schreef: ‘goed, ik heb mijn gebreken, maar denk je dat jij nooit irritant was?’ Je draait de frase om en maakt ervan dat jij 't wel wist, maar ik niet, Dit lijkt me onbillijk.

Die flesch seriawan is hier nooit bezorgd, en het is nu eerst dat ik van de idee van zoo'n flesch verneem.

Hierbij laat ik het, omdat ik liever niet op àl je nieuwe (of oude en hernieuwde) grieven inga, maar na dit globale bovenstaande, liever in details inga op de prettiger gedeelten van je brief. Als we elkaar terugzien, zal er misschien nog weleens gelegenheid zijn om over deze wrok van je te praten; dat is beter en juister dan 20 brieven erover. Misschien ook zal die wrok een blijvend bezit van je zijn en een soort peper over de smakelooze gedeelten van een vriendschap. Ik zie 't moment aankomen waarop we eens samen zullen wandelen, ik in de 60, en jij bijna 50; dan zal mijn oude en versleten endeldarm misschien een wind niet kunnen inhouden, dan zal ik me daarover misschien niet uitvoerig excuseeren maar stilletjes doen alsof je 't niet gehoord had, en dat zal jij, met een terugval op je haat van nu tegen je eigen bewondering van mijn Hitler-fantoom, bij jezelf razen: - Godverdomme, dat doet-ie nou weer om mij te vernederen!

* * *

Nu Rudie's bundel. Een gedetailleerde lijst van hoe ik alles vond, stuurde ik hem al. Voor jullie beiden zal daar wel niet veel van deugen. Marsman's bespreking6015 vond ik volkomen nietszeggend en zonder eenig begrip van Rudie's soort talent; de bespr. van Ter Braak6016 was veel beter, hoewel die toch ook nog aan de oppervlakte bleef, - tenminste, goeddeels. Ik heb geen krant meer om erin te schrijven, en eig. ben ik er nu blij om, want jonge-jonge, wat zou me niet boven het hoofd hangen als ik het verkeerd gedaan had!... Ik pretendeer ook niet Rudie ‘door te hebben’, ik gaf maar mijn indrukken. De terechtwijzing dat losse notities geen aforismen zijn, heb ik geënpocheerd; ook mijn gelijkenis met den jongen van Krimpen in de stommiteit. Verder grijp ik natuurlijk met beide handen de uitgestoken stok aan in je zinnetje: ‘Je zult drie Fransche verzen in den bundel zien, volgens Kees Greshoff onberispelijk van taal en misschien ook volgens jou’. Dàt zal uitkomen, als Kees Gr. het gezegd heeft, want Kees Gr. kent heel wat beter fransch dan ik. Dank voor de kans op revanche die je me bood om, na op Huib van Krimpen geleken te hebben, ook nog op Kees Greshoff te lijken.

Dit is geen verneukerij en geen poging tot vernedering, heusch niet - dit is een zwakke poging om me te verdedigen, nu ik zoo vriendschappelijk door je bestraft word.

De aardigste titel voor Rudie's verzen leek mij Tusschen school- en bedtijd, maar hij dekt den bundel wschl. niet geheel. In ieder geval hoop ik later nog eens den completen vorm van de verzameling te zien, door jullie zelf bezorgd.

Ik heb in die vervelende ‘inleiding’ tot de Van Harens (het gaat om ± 2 blzn., niet?) een paar zinnen geschrapt. Misschien dat het nu wat beter loopt. Maar vervelend zal het wel blijven, en trouwens, ikzelf vind andere passages ook verre van meeslepend. Maar ik zie dan geen kans die beter te maken. Toch zal je in de boekuitgave zien dat ik er nog flink aan heb gewerkt.

Mevr. Romein is begonnen aan een massacrante recensie van Mult. II, heeft toen ingezien dat ze eig. aan een ‘brief’ bezig was en mij de begonnen recensie als brief voltooid toegestuurd. De briefals-brief was ook nog boos, maar toch veel aardiger. Ik heb haar teruggeschreven, maar tot nu toe geen antwoord. Misschien schrijft ze tòch nog een recensie.6017 Ze heeft ongetwijfeld geschikte kanten, al schrijft ze vaak wat schoolmamzellig.

Die Mult.-dokumenten, die ik publiceerde, zijn door mijzelf gevonden in het Landsarchief. Wat Van Leur vond, wil hij zelf publiceeren en komt van het archief van de Algem. Secretarie: het is het ‘naspel van Lebak’, dwz. het complete onderzoek nadat Mult. vandaar vertrokken was.

Je portret van Lehmann is gewoon prachtig! jammer dat je 't niet zóó publiceeren kunt. Ik zie den jongeman voor me. Niet bepaald gezellige omgang voor Rudie inderdaad. Het 2e nr. van Werk vond ik ook minder dan het 1e, maar wees niet zóó pessimistisch: van nr. 4 t/m 12 kan er nog heel wat gebeuren. Schrijf jij er maar gauw iets goeds voor.

Morriën lijkt me sympathiek, maar in zijn werk ‘zie’ ik hem nog niet, tot dusver. Het stukje over Mephistophelisch is aardig,6018 maar toch ook niet méér; als geheel veel minder bv. dan indertijd dat stuk van Gomperts.6019 Maar het is dan ook maar voor dat ‘gezellig’ opgezette blad van D.G.W. - Het verhaal van Kees Greshoff vond ik, hoewel hier en daar nog wat Guilloux-achtig, toch heel persoonlijk en echt; ik zal het ook met plezier herlezen als het gedrukt wordt in Werk. (Maar waarom toch eig. niet in een fransch of belgisch tijdschrift?)

Je ingezonden stuk als Sonneborn6020 was vermakelijk, dat over Ter Braak erg sympathiek,6021 hoewel niet precies erop berekend om het journaille vriendelijk te stemmen. Ik hoorde in geen tijden iets van Ter Braak en begin me ongerust te maken dat dit in verband staat met dezelfde rotzooi waar Vestdijk door gepest werd. De moreele herbewapening of God weet wat, zal wel moeten ‘afrekenen’ met deze ‘cynici’. Als Rudie of jij Ter Braak spreekt, vraag hem dan waarom hij mij in zoolang niet schreef; dan kan een van jullie het mij melden, want ik begin het nu langzamerhand werkelijk ernstig te vinden. Vestdijk en ik uit de krant, eerlang misschien Ter Braak ook, - wordt het dan geen tijd voor ons om een eigen krant op te richten, een eigen weekblad althans? Misschien is daarvoor het moment goed, waarop in ik Holland terug zal komen, - als Holland dan nog geen Westmark geworden is.

‘Mevrouw de Roos’ heb ik iets hooren opperen van dat Rudie en jij als ferme jongens dien heer Groenevelt, die zoo tegen Vestdijk ‘gehetzt’ heeft, af moesten ranselen; ik voor mij houd niet van zulke erg-straffe middelen! Maar misschien is de bestiale knaap Lehmann hiervoor te huren? zegt mevrouw de Roos.

Je bezending is er nog niet, maar komt wel, en ik heb er je nu 3 ×, meen ik, voor bedankt. Toch zal ik er weer over schrijven, als het pak er is. Deze brief moet nu maar de deur uit.

De Muze heb je nu toch zeker! Waarom Hein 's Gravesande al een ex. had en jij niet, is me een raadsel; de boeken zijn van hier met dezelfde post weggegaan. Stapel moet zijn ex. nu ook hebben.

Hartelijk gegroet, ook van mevrouw de Roos; vergeef me nu eens definitief dat jij ééns een Hitler in me hebt bewonderd; bewonder me vooral niet meer; leef onvernederd door mij, mijn brieven en mijn fantoom; en geloof me als steeds je

E.

6014Brief niet teruggevonden.
*Zooveel doenlijk tenminste. Als ik er heelemaal niet op inging, zou je wschl. weer niet tevreden zijn.
6015In NRC van 3 maart 1939 (av.) besprak Marsman Praehistorie en keerde zich tegen het egoïsme van Van Lier dat hij goedkoop vond.
6016Praehistorie werd met Eric van der Steens Controversen door Ter Braak besproken onder de kop ‘De “cynici”’ in Het vaderland van 5 maart 1939 (ocht.).
6017Brieven van Annie Romein-Verschoor en DP niet teruggevonden; Romein-Verschoor besprak Multatuli, tweede pleidooi in CB 10 (1939) 6 (juni) p. 169-171, samen met De muze van Jan Companjie.
6018‘Mephistopheles ter Braak’. In: DGW 37 (1938) 7/8 (juli-augustus) p. 8-9.
6019‘Uzzeltje’. In Propria cures 48 (1937) 35 (18 augustus).
6020In zijn ingezonden brief ‘De melancholische blik en de leeuwenmanen van onze schrijvers’ kwam J. Sonneborn in verzet tegen de mening dat genoemde karakteristieken niet meer zouden bestaan. In Het vaderland van 4 maart 1939 (ocht.).
6021Niet achterhaald.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie