E. du Perron
aan
D. de Vries

Bandoeng, 17 februari 1939

Bandoeng, 17 Febr. '39.

 

Geachte Heer De Vries,

Dank voor Van Iperen. Ik schreef iets in uw ex. van De Muze, kort maar volkomen gemeend. Maar Nix gaat nu pas Zondag naar Batavia, hoor ik, zoodat u uw ex. dan pas Maandag hebben zult.

Als u Tweede Pleidooi bespreekt, doet u het dan vooral als supplement van De Man v. Lebak,5895 zoodat de beide boeken een beetje één worden. Ik voor mij vind sommige betoogen in Tw. P. veel ‘loopender’ geschreven en dus meer ‘mezelf’, maar natuurlijk is ‘als boek’ De M.v.L. veel belangrijker, en tot dusver werd daar inderdaad in het Tijds. B.G. niets over gezegd.

Koch sprak ik gisteravond. Hij had uw briefkaart ontvangen en was van plan u te schrijven dat de redactie ‘betreurde’, ‘zich excuseerde’ enz. Ik heb hem gezegd dat hij een paar regels moest schrijven in den geest dien u aangaf, hij heeft beloofd dat hij het zou doen. Anders doe ik het wel; ik zal ervoor zorgen dat op de volgende redactievergadering, d.i. vóór de verschijning van het volgend nr., dat entrefiletje er is.5896

Ik vind het echt aardig dat u zich op Werk geabonneerd hebt, en hoop dat u er geen spijt van zult hebben.

Tusschen ander werk (lezen en inwerken in D.v.H. door) ben ik begonnen met stukjes te redigeeren voor den bundel Van Kraspoekol tot Saïdjah. Maar het materiaal is nu enorm; het gaat nu niet alleen meer om verzamelen - als bij De Muze - maar om schiften, tegen elkaar afwegen enz. en ik zie niet goed hoe ik dat op zoo'n afstand van de Bibliotheek klaar moet spelen. De Bibl. hier bezit het Tijdschr. N.I. van Van Hoëvell, maar ook niet veel meer, en voor mij is dat van maar ondergeschikt belang. Ik moet krachtige medewerking hebben uit Holland, en u af en toe danig lastig vallen, vrees ik, anders komt van dezen tweeden bundel niets terecht. (Ik zit op 't oogenblik al vast met Bruno Daalberg's Steenbergsche Familie, dat ik in Holland door een ander moet laten lezen, omdat de Bibl. het boek niet naar Indië zenden wil - Bernet Kempers vroeg het aan.)

Kunt u in Troostenburg de Bruyn's boek over Ind. predikanten nog iets aardigs vinden over dien ds. Josua van Iperen?5897 Niet biografische gegevens, maar alleen iets levends of pittoresks. Wilt u mij in dat geval die ‘trekjes’ even schrijven?

Het Van Haren-verhaal in Gr. Ned. heb ik nog krachtig herzien. Er wordt nog van allerlei in den stijl gewijzigd, nieuwe details worden eraan toegevoegd, enz. - het beste zou zijn dat u met lezen wachtte tot het boek uitkomt. (Het gaat verschijnen bij Leopold.)

Tot nader dan. Met hart. groeten, uw

EduP.

 

P.S. Met de plaatsing van uw stukken over het Zedenschandaal wilde de redactie K. en O. - de werkelijke nu - liever wachten tot ook de ontwikkeling en conclusie er zouden zijn. Gaat u daar dus nog mee voort? Hoe gauwer we 't hebben, hoe beter, dan kan stuk 1 al in 't volgend nr.

5895D. de Vries besprak DP's De man van Lebak en Multatuli, tweede pleidooi in: Tijdschrift voor Indische taal-, land-, en volkenkunde 79 (1939) afl. 3, p. 465-468.
5896In K&O 2 (1939) 2 (1 maart) p. 32 verscheen DP's ‘Rectificatie’ ondertekend door ‘Red. K. en O.’, waarin het redactioneel naschrift van Koch bij De Vries' stuk een misverstand werd genoemd (niet in Vw.
5897C.A.L. van Troostenburg de Bruyn, Biographisch woordenboek van Oost-Indische predikanten. (1893); p. 206-212 over Van Iperen.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie