E. du Perron
aan
H. Samkalden

Bandoeng, 18 januari 1939

Band. 18 Jan. '39.

 

Beste Hugo,

Dank voor je vlugge brief. Ik heb Koperb. nu meteen geschreven, in jouw geest. Heb ik 15 Febr. as. geen zekerheid, dan smeer ik hem, en dat zweer ik!

Ik sprak gisteren Koets, die mij bekende ook meer dan genoeg te hebben van K. en O. en de allerbeminnelijkste wijze waarop Koch alles wegdrukt wat hem zelf niet bevalt. Ook hij vindt hem, als ik, een bovenste-beste, maar deze manier van samenwerken hangt hem ook den keel uit. En daar Koets een rustig iemand is, geeft dit me zoo'n idee dat het niet alleeen mijn beroerde aard is. K. zei letterlijk: ‘Ik heb groote lust om ze nu maar weer over te laten aan de oude grijsheid’. Toch hebben we samen afgemaakt dat het onsportief zou zijn nu al weg te loopen en dat we moesten ‘aanzien’ hoe het verder zal gaan, nog een tijdje tenminste. - Ik maak me op te werken aan D.v.H., de paperassen liggen al op tafel. Verm. zal wschl. nooit onuitstaanbaar zijn, altijd aardig en geschikt, maar... onherroepelijk gevormd, daarginds! Ik zie de jeugd liever onuitstaanbaar eigen-wijs dan zoo braaf traditioneel wijs... gemaakt. Maar daarom is hij tòch een beste vent! Hartelijk je

E.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie