E. du Perron
aan
J. Greshoff

Tjitjoeroeg, 9 augustus 1937

Tjitjoeroeg, 9 Augustus 1937.

 

Beste Jan,

Vandaag heb ik de prettige taak, eindelijk weer eens over wat anders te kunnen schrijven dan de sac-à-merde J. Saks. Zoonet kwam je briefkaart. Gisteren had ik een ‘zware’ maar prettige dag: bezoek, hier in Tjitjoeroeg, van 3 jonge inlandsche (‘inheemsche’ moet je tegenwoordig zeggen, zooals een Chinees niet meer ‘tjina’ mag genoemd worden maar ‘orang tiong hwa’!) schrijvers: 2 Sumatranen en een Batakker. Deze jongelieden zijn redacteur van een tijdschrift dat gebroken heeft met de (oud-) Javaansche traditie en dat door de traditionalisten krachtig wordt uitgescholden; het heet Poedjangga Baroe = zooiets als: de nieuwe Bard, de nieuwe Wijze, kortom, de nieuwe Gids. Ze kennen Kloos, Henriette Roland Holst, Boutens, Jany, en willen alles leeren kennen wat verder komt. Ik heb hun Slauerhoff's Djengis voorgelezen, je kunt je voorstellen hoe't ze heeft aangepakt. Ze vonden het prachtig en indrukwekkend, en 10 × mooier en ‘oosterscher’ dan Oostersch van Leopold.

Ik heb den Batakker - de meest kritische geest van de 3 - gevraagd een overzicht te schrijven van deze jongste beweging en zal je dat zenden als het aardig is. Wil je 't niet hebben (haast is er natuurlijk heelemaal niet bij) dan kan hij 't altijd nog geven aan Koloniale Studiën, dat hem al eerder erom gevraagd had. Maar hij wil natuurlijk véél liever in G.N. komen.4816 Deze jonge man heet Armin (Armèn of Armijn) Pané. Lief, hè?

Verder heb ik G.N. 1, misschien 2 abonnés, aangebracht: de 1e is Mr. C. Binnerts, iemand die voor Batavia voortreffelijke radiolezingen en kritieken levert en die zich via de firma Wolters, waarvan hij een van de ‘chefs’ is, op een paar jaargangen G.N. gaat abonneeren (hij deed het zelfs al), de andere is mijn goede vriend Hein Groeneveldt, een van de aardigste menschen die het Indische leven oplevert: cosmopoliet en ‘fin’. Hij zei mij gisteren dat hij toch ook een paar jaargangen zou bestellen: 1936 en '37 bv. En ik zal verder mijn best doen.

Van der Hoop wil niet, want krijgt G.N. al in de ‘trommel’ en ergert zich bovendien aan mijn blocnotes. Redeneersysteem: ‘Nou ja, er zijn natuurlijk wel een paar schrijvers die je alleen maar aan moet hooren als ze wat zeggen, maar als je in G.N. leest wat jij en 2 of 3 anderen allemaal maar zeggen (fraaie formule), dan denk je toch.... enz.’ Dondert niet wàt-ie denkt, want 't is kùl. Ik ben er nog niet achter kunnen komen wàt ze zoo ergert in die bloknootjes van me, al deze abruti's. Ik ben in principe bereid te gelooven: de onbelangrijkheid ervan, maar word daarin toch belet door het idee dat ze zich nooit ergeren aan onbelangrijke dingen, dat ze daar met wellust hun dagelijksch voedsel van maken, dat 99% van de literatuur die zij bewonderen of consumeeren grondig onbelangrijk is, etc.* Maar één ding is zeker: het is hoog tijd dat wij ons tegenover de Domheid terugtrekken en dat ik niets meer van dgl. dingen schrijf. Zorg dus vooral dat alles van wat je nog aan bloknootjes hebt in 1937 gespuid wordt. Dan leven ze op in 1938: hè, heerlijk, geen rot-blok-nootjes meer! Vervang me door Taai Aagen Moro, dàt is spek voor hen.

Je vroeg me naar mijn dag-indeeling. Die is hier in Tjitjoeroeg (dus als ik niet nr Batavia ga, wat gemiddeld eens in de 10 dagen plaatsheeft) ongeveer zoo:

's Morgens koffiedrinken. (± 8 uur). Hier is inbegrepen: toilet!

Van 8-1: werken: lezen, notities maken voor De Onzekeren etc. Ongeveer half 2: eten. Van 2-4 rusten (maar meestal toch met een boek in bed.) 's Midd. 4-6 in de tuin theedrinken, al lezend, of een kleine wandeling maken naar Villa Panorama, een pension in de buurt met goddelijk uitzicht. Daarna weer notities maken of ander werk: art. schrijven voor Ritman of brieven of zoo. (Soms, als vandaag, schrijf ik die brieven ook 's morgens). Tegen 8 uur: eten. Tegen half 10, 10 uur naar bed; daar nog wat lezen tot 11 uur. Dan slapen, als het lukt.

Je ziet dat ik eig. niets doe dan werken. Sinds eenigen tijd vrij hard zelfs. Ik leg de fundamenten voor De Onzekeren met groote soliditeit; verwerk daarvoor allerlei historisch materiaal, lees Romein, Knappert, Dozy, Brugmans, Colenbrander + oude papieren: Deducties van O.Z. van Haren in de incestzaak van zijn 2 dochters (dat wordt mijn 1e verhaal, 1e hoofdstuk); mémoires van Dirk v. Hogendorp (kleinzoon van O.Z.v.H), die held wordt van mijn 2e verhaal en in het 3e ook nog een rol speelt, boek van Sillem over D.V.H. enz. Het wordt historisch goed verantwoord! Over een paar dagen ga ik zelfs alvast wat op 't Landsarchief zoeken, naar gegevens over Willem v. Hogend., vader v. Dirk en schoonzoon v. Onno Zwier, die hier van 1774-1784 compagniesdienaar was. Een ‘regent’ van jewelste.

Misschien dat ik je eind van dit jaar al 1 of 2 ‘verhalen’ kan zenden, als 't werk opschiet. En als - dàt is 't voornaamste - mijn medewerkerschap aan G.N. niet wordt afgesakst. Het stuk van Bep over Lévy-Brühl4817 wordt toch een literair essay, denkt ze. Andere stukken hebben we niet, en waarom zou ik over Bali schrijven? Dat komt immers toch maar weer in de lijn van de onverteerbare bloknootjes, waar ‘men’ zich zoo aan stoot. Hier (Buitenzorg-Batavia) kankert ook iedereen over het genre. O, het is tuig!*

Overigens lees ik met zeker meesmuilend plezier de nieuwe taak die je krijgt van dat lieve Vaderland.4818 Als je ze copy aanbiedt, mag je daar verder mee leuren bij andere kranten; als je je smoel houdt om eindelijk wat voor jezelf te doen, komen ze je aan je jas trekken en hun slokdarm openzetten. Het zal wel weer grondig verkeerd van je zijn, maar ik zie dit heele bedrijf met de lieden die het beoefenen (de leidende dan) als één groep: kanalje. Vergeef het me maar op slag.

Ritman wilde mij, zoo zoetjes-aan, de leiding geven van een literair bijblad.4819 Ik had vroeger eenige illuzies daarover (niet veel, maar toch wàt): dat ik jou dan ook zou vragen, Menno misschien etc. Nonsens, er zit hier een mevrouw ‘E.M.B.’, die de kritiek al jaren deed - niet onkwaad voor Batavia! - en die zuur zou kunnen kijken. Ik heb Ritman toen meteen gezegd dat ik van alle leiding afzag, dat ik wenschte niets anders te zijn dan medewerker, precies als mevrouw E.M.B., en dat ik dit deed om ruzie te voorkomen, gegeven mijn beroerde intransigante aard die mij direct allerlei dingen zou doen willen en eischen, zoodra ik mij ‘leider’ voelde en dus intenser met 't geval meeleven ging. Hij heeft 3 of 4 × met mij gepraat - vindt mij ‘explosief’, hoewel hij wel voor mij voelt - en heeft wijselijk... de beraden en bedachtzame wijsheid van mijn inzicht als juist aanvaard. Alzoo: bijwerk, geen illuzie, geen mogelijkheid om vrienden te vragen, misschien geen ruzie. Ik ben een would-be-onmaatschappelijk iemand, zooals Menno zegt, maar dan verwoed would-be, met het accent op ‘would’.

Als ik op 't Landsarchief aarden kan en vandaar uit een beter baantje vind: bibliothecaris met meer salaris (dat rijmt), dan zie ik van àl dit gemoerneuk voor wat zakgeld af.

Ziedaar. Ik hoop dat je gauw van dat krantengedoe verlost bent en je verzen kunt voortzetten. Laat dààr wat van horen. Ik vroeg Sander mij je bundel te zenden (de nieuwe druk, zonder voorrede); ik wil erover schrijven voor de bataviasche bent. Vanavond schrijf ik over Menno,4820 als ik helder genoeg ben.

Ik las Samkalden onlangs je polemiek met Haje voor - een van je briljantst-geschreven stukken - en hij genóót ervan! Zùlke polemisten zou hij hier nu ook willen, tegen patsers als Zentgraaff (verkapt N.S.B.-er, oud-sergeant, revolver-journalist); de man zou weggeveegd worden, terwijl iedereen nu bang voor hem is. Inbegrepen Ritman, aan wien ik heb voorgesteld den man te bijten, maar ach, ach, hij durft niet, en durft niet. Ik heb hem dus gezegd dat ik permanent tot zijn dispositie ben voor àls hij nog eens durft.4821 Hij spreekt zelf, deze man, over: ‘mijn spreekwoordelijke lafheid’ en denkt dat hij die dan overwonnen heeft. Maar... het is verreweg de fatsoenlijkste journalist hier op heel Java, zooals Zentgraaff de Grootste pallurk is. En je kan tenminste met hem praten over zooiets als ‘cultuurzaken’. Het is een jongere editie, geloof ik, van Schilt. Minus 't perskaart-complex.

Het Elsschot-nr.4822 was bèst. Uitstekend in ieder opzicht. Ik las nu alles, behalve de novelle zelf (een roman is dat toch niet!) Jij bent op je best als je over Elsschot schrijft; dit stuk van jou vond ik beter dan Menno bv., die zich m.i. in wat valsche subtieligheidjes verliest. Dat Lijmen een drama is en Kaas niet, vind ik bv. volmaakt onjuist. Kaas is een drama; zoo heeft Elsschot het bedoeld, en hij is er 100% in geslaagd. Misschien is Lijmen óók een drama (in anderen zin), maar Kaas is het zéker. Hartelijke groeten onder ons allen, je

E.

 

P.S. D.D. schreef me onlangs dat hij erover dacht je binnenkort een paar eerste stukken mémoires te zenden, wat hij voorloopig durft uitgeven. Je zult zien dat er uitstekende dingen bij zijn (over de Boeren-oorlog o.a.). Hij heeft het nogal aardig gebolwerkt dank zij een ongelooflijke energie, zijn gevangenisstraf is nu omgezet in f 300. boete. Maar die wil hij ook niet betalen, als het eenigszins kan. Er zijn lansen voor hem gebroken in den Volksraad. Ik heb werkelijke bewondering voor zijn pluck: na het leven dat hij leed (37 gevangenissen!), 58 jaar oud, en met iedereen (van ‘gezag’) tegen hem (alle ‘weldenkenden’ nog 10 × meer!)

4816Van Armijn Pané zijn geen bijdragen aangetroffen in GN en Koloniale studiën.
*Of: ze zouden't overslaan, niet er zich aan ergeren.
4817Er is van Elisabeth du Perron-de Roos geen stuk over Lévy-Brühl in GN verschenen.
*Bep eischt dat ik hierbij zet: op een paar na. Die ‘paar’ bestaan uit vier menschen: Groeneveldt, Samkalden, Jansen, Binnerts. (En als je wilt D.D. nog.)
4818Niet achterhaald.
4819Niet gebeurd.
4820‘De christelijke discipline’. In Bataviaasch nieuwsblad van 18 augustus 1937 (Vw 6, p. 198-203); over M. ter Braak, Van oude en nieuwe christenen. Rotterdam 1937.
4821Henri Karel (zich noemend H.C.) Zentgraaff (1873-1940) kwam in 1894 als sergeant-schrijver van het K.N.I.L. naar Nederlandsch-Indië. Hij nam ondermeer deel aan de militaire expeditie naar Atjeh, werd in 1905 journalist, was onder andere hoofdredacteur van het Soerabaiaasch handelsblad en eindigde zijn loopbaan als hoofdredacteur van De Java-bode te Batavia. Hij was gevreesd om zijn ‘onthullingen’. Zentgraaffs Atjeh (Batavia 1938) kreeg een groot Indisch lezerspubliek. Zie ook D.M.G. Koch, Batig slot, Figuren uit het oude Indië. Amsterdam 1960, p. 178-184; C.W. Wormser, Drie en dertig jaren op Java. Amsterdam z.j., p. 133-140; G.H. von Faber, A short history of journalism in the Dutch East-Indies. Soerabaja z.j., p. 80-82.
4822In GN 35 (1937) 7 (juli), p. 1-148 waren onder andere de volgende bijdragen opgenomen: M. Nijhoff, ‘Het uur U’; M. ter Braak, ‘Willem Elsschot en de idee’; J. Schepens, ‘Willem Elsschot in de Vlaamsche letterkunde’; S. Vestdijk, ‘De wortelstok der Forumpoëzie’; P. de Vree, ‘Willem Elsschot's gestalten’; J. Greshoff, ‘In Elsschot's laboratorium’; W. Elsschot, ‘Pensioen’; en G.H. 's-Gravesande, ‘Bibliographie’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie