E. du Perron
aan
G.M.G. Douwes Dekker

Tjitjoeroeg, 30 juni 1937

Tjitjoeroeg, 30 Juni.

 

Waarde Heer D.D.

Gelijk hiermee zend ik u een staartje van het art. van Ter Braak.4720 De strijd gaat voort: de Hollander hoùdt nu eenmaal niet van Multatuli; alles wat tégen hem gaat is geoorloofd, alles wat vóor hem gezegd wordt deugt niet. Ikzelf heb ± ruzie met Groot Nederl., omdat ze zeggen niets te begrijpen van mijn kwaadheid over Saks. Ik van mijn kant begrijp niets van hùn houding: ze schijnen het bizonder belangrijk te vinden om te vertellen dat ‘Edu’ een schoft was - alsof dat op zichzelf zóo belangrijk was voor Mult.'s reputatie! - maar aan den anderen kant schijnen ze 't heelemaal niet erg te vinden om mijnheer Saks uitentreure in hun blad te laten leuteren dat Mult. zich eig. als een belachelijke hansworst in Lebak gedragen heeft. Ik ben misselijk van het geval. Als dit zoo doorgaat heb ik lust hun niets meer te sturen, zèlfs niet mijn antwoord aan Saks. Ook zij weten blijkbaar niet wat Multatuli waard is! - Op 't oogenblik heb ik mijn heele revanche in mijn boek gesteld; als Q. me niet te veel haast, kan ik in de proeven nog een-en-ander zetten. Maar het kan zijn dat ze bijdraaien.

Met vr. groeten, uw

EduP.

4720Een ingezonden stuk van mr. J.J. Montijn in Het vaderland van 5 juni 1937 (av.) waarin deze verklaarde Edu, Multatuli's zoon, goed te hebben gekend en als een waardig lid van de maatschappij te beschouwen.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie