E. du Perron
aan
H. Marsman

Tjitjoeroeg, 2 maart 1937

Tjitjoeroeg, 2 Maart '37.

 

Beste Henny,

Voor ik het vergeet: hierbij de 2 stukjes terug.4485 Ze zijn voortreffelijk (ik zeg dit in den zin van ‘ik-zou-niet-beter-gedaan-hebben’). Zeker opnemen in den bundel; maar zou je dan niet één groot stuk over Van Schendel maken (Zwervers - althans iets daarover - Fregatschip - Waterman - Holl. Drama - R. Man)? Ik ben het op maar één punt niet met je eens: ik geloof dat wij, jij en ik, 100% gelijk hebben wat betreft, niet alleen de tekortkomingen van het boek, die je onverbeterlijk aangeeft (ook Pomona/my de Bilt deed het heel best),4486 maar de vervelende ‘braafheid’ of ‘zedekundigheid’ - voor òms, - maar, met dat al, ik geloof dat dit boek in het oeuvre van V.S. van belang is, en inderdaad (evenals Fratilamur) een soort ‘sleutel’ daarin vertegenwoordigt. Hier geeft hij zich 100% in de mentaliteit die eig. ook al zijn later werk beheerscht, die je ook in De Berg van Droomen onder andere vermomming, al vrij compleet aantreft. Merona is een andere 100%-uiting, maar dat lijkt mij niet van belang, de R-Man wel. Zou je dit punt niet nog in overweging willen nemen, als je dat gezamenlijke-artikel maakt?

Ik ben nog steeds niet heelemaal klaar met Multatuli, ontdek nog telkens allerlei dingetjes die erbij moeten, al was het per voetnoot.

Je stuk over Jan's gedichten vond ik niet goed,4487 omdat je daar te veel het ‘andere’ standpunt inneemt en hem, bij alle welwillendheid om hem ‘het zijne’ te geven, dat toch niet doet, wat een beetje een hypocriet effect maakt. Bij V. Sch. ben je daarentegen tot een maximum van kritiek gegaan, en toch zeer juist = billijk gebleven, voor wie niet een Vanschendelater is, zooals Jacques Bloem zou zeggen.

Ik houd hier op, ben koortsig en heb een soort ‘spruw’ in mijn mond die me gemeen pijn doet. Later meer.

Hartelijk, steeds je

E.

 

Stuur geen complete Groene meer, dat rotblad. Alleen maar de litt. pagina, en dan nog als er iets staat van jou of Vestdijk of zoo. Ik las met weemoed het stukje van Binnendijk tegen Van Hattum4488 - 100% B. weer = de moeilijke keuteldraaier die het niet hebben kàn dat een ander met meer loslijvigheid poezië van zich geeft: - het is wèl het bewijs dat ik museum-artikel geworden ben, als mijn goede eigenschappen nu moeten dienen om later-gekomenen naar beneden te krijgen. Een bewijs dat ik niet meer ‘gevaarlijk’ ben, Van Hattum wel. Leve Van Hattum! ik wensch hem veel succes toe, de tout coeur, en tòch geen geconstipeerdheid. Maar mijn gedistingeerdheid doet mij natuurlijk hevig plezier, hetgeen je na wat hier onmiddellijk boven staat misschien verwondert...

4485In De groene Amsterdammer van 7 november 1936 over A. van Schendel, De rijke man (Marsman noemde dit boek ‘Een zwak intermezzo’) en mogelijk één van de andere artikelen die Marsman bijna wekelijks voor De groene heeft geschreven.
4486Tonia de Bilt [M. Nijhoff], ‘De rijke jongeling wordt man’. In Critisch bulletin 8 (1937) 1 (januari), p. 3-5.
4487Niet achterhaald.
4488In zijn bespreking van Van Hattums gedichtenbundel De pothoofdplant in De groene Amsterdammer van 30 januari 1937 merkte Binnendijk ondermeer op: ‘Van Hattum's poëzie moge dan verwantschap vertoonen met die van Du Perron, - de laatste is oneindig geestiger, vooral gecultiveerder en van veel gedistingeerder en waarachtiger allure.’
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie