E. du Perron
aan
J. van Nijlen

Parijs, 8 oktober 1934

Parijs, 8 October, 's avonds.

Beste Jan,

Ik was heel blij met je brief; je handschrift is tenminste even vast en fraai als altijd. Het speet Bep en mij ook dat we je niet meer zagen, dien middag, maar na wat Jan ons gezegd had dachten wij dat je liever met rust gelaten werd en wij konden ons dit heel goed voorstellen. Zelf waren we allesbehalve florissant (nu ook niet trouwens, al hebben die leverprikken ons toch wel goed gedaan). Alles blijft even onzeker voor ons; dat correspondentschap van Het Vaderland is toch ook niet bepaald een lucratieve betrekking, en het houdt ons in Parijs waar het leven toch duur is. Wij beramen van alles, ook om van hier weg te gaan. Met mijn boek gaat het bepaald slecht, ik krijg het zeker niet op tijd af, ben er geheel ‘uit’, enz. enz. Enfin, wij leven als iedereen in dezen tijd: op losse schroeven en met voortdurend de smaak van ‘voorloopig’, wat ten slotte erg deprimeerend werkt. Want om de ‘vrijheid van den avonturier’ te hebben, moet je je leven heelemaal anders inrichten.

Je brief is zoozeer gesteld buiten de jammertoon, dat ik mij bijna schaam je dit alles zoo te zeggen. Maar over jou schrijven gaat me slecht af; je begrijpt, hoop ik, ook zonder dat hoezeer ik met je meeleef. Houd me op de hoogte van je verdere belevenissen en houd je zoo goed als je maar kan. Als er iets is wat ik voor je kan doen, beschik dan absoluut over me. Er zijn weinig menschen op wie ik innerlijk zoo gesteld ben als op jou, en als het leven je beroerd behandelt, gaat mij dat aan, ik verzeker het je. Als ik Gistoux nog had, vroeg ik je een heelen tijd te logeeren, maar misschien geeft het gaan naar je bureau juist steun; het is met ons menschen zoo vreemd, ieder heeft zijn rarigheid en de manier van reageeren die voor hemzelf het beste uitkomt.

Ik hoop van harte dat je me toch spoedig betere berichten stuurt, dat de doktoren blijken hun vak te verstaan en het kwaad te kunnen uitroeien of stuiten. Het is wel hondsch beroerd dat deze geschiedenis voor je komt met je 50e verjaardag, met je nieuwe jubileum-bundel3360 en de felicitaties; neem mijn deel daarvan, of laat het, naar eigen believen. Het stuk dat Jan over je schreef3361 was alleraardigst, ik las het vanmorgen in Forum en het heeft mij oprecht goed gedaan.

Beste Jan, dit is alles voor ditmaal en het is misschien nog te veel en te mooi-mooi. Schrijf me vooral, als er iets dat ik voor je doen kan, of waar ik je plezier mee doen kan. Bep zendt je haar heel hartelijke groeten, ontvang een hartelijke hand ook van geheel je

E.

3360Gedichten, Gekozen uit zijn bundels [...]. Uitg. en ingel. door Jan Greshoff. Haarlem 1934.
3361De inleiding door Jan Greshoff van de in n 1 genoemde bundel, verscheen in Forum 3 (1934) 10 (oktober), p. 935-940, onder de titel ‘Jan van Nijlen, 1884-10 November-1934.’
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie