E. du Perron
aan
J.A.A. Engelman

Parijs, 22 januari 1934

Beste Engelman,

Inliggend papiertje3047 werd mij eergisteren hierheen gezonden. Manifestaties als deze liggen minder in mijn aard dan je misschien zou denken - maar hier wil ik je toch even zeggen dat ik blij ben je te hebben onderscheiden als ‘een der weinige katholieken met wien men kan omgaan’ en dat ik de aangestreepte passage als het strafste voorbeeld van patserigheid beschouw dat ik in de laatste jaren in onze literatuurpolitiek tegenkwam.

Nu iets anders. Volgens iemand die het stuk3048 las moet je in de Nwe Eeuw van mijn stuk over de plankengrootheden gezegd hebben, dat ‘deze redeneering fout moest zijn omdat anders immers het tooneel niet zou bestaan’. Ik vertrouw mijn zegsman niet heelemaal en zou liever het stuk in kwestie lezen; kan je het me opzenden? Als het bovenstaande er in stond, dan alvast dit: Ik heb nooit betwijfeld dat het tooneel bestond, evenmin als ik twijfel aan het bestaan van de kookkunst of de kunst van kleeren knippen.

Beste groeten van je

EduP.

 

Parijs (16e), 19 rue de l'Yvette

22 Januari.

3047Wschl. de door Albert Kuyle en Henk Kuitenbrouwer opgestelde brochure voor de lezers van De gemeenschap, waarin zij hun uittreden als redakteur van dit tijdschrift motiveerden, en de oprichting van De nieuwe gemeenschap aankondigden.
3048In DNE 839 (21 september 1933), p. 1883-1884 besprak Engelman het septembernummer van Forum. Van DP's stuk ‘De grote dingen van de planken’ (Ook in De smalle mens en Vw 2, p. 537-555) merkte hij op dat het van verkeerde premissen uitging en de onlustgevoelens van de schrijver weergaf. ‘Legden we deze normen aan, dan zou tooneel iets onmogelijks zijn’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie