E. du Perron
aan
J. Greshoff

Bellevue, 13 oktober 1932

Bellevue, Donderdag.

 

Beste Jan,

Hierbij een schrijven van Esser,2356 in antwoord op het mijne. Ik schreef hem den brief terug dien ik hierbij doe; maar bij nadere beschouwing verzond ik hem een briefkaart, met alleen een excerpt hiervan, en wil ik dit houden om er misschien nog iets van in mijn ‘conclusie’ te doen. Anders begrijpen ze mij weer niet, in dat extralucide land! Mijn huidige slotzin: ‘ik bestrijd Coster als mensch tegen mensch’ is voor die mentaliteit totaal verkeerd, bedenk ik nu; ze zullen niet begrijpen wat ik bedoel: ‘als soort mensch’, maar ‘als persoon’; en erger, ze zullen zeggen: ‘nou ja, dan is het nogal wiedes, wat hébben we d'r dan an?’ - Ik zal mij uitspreken, zooals ik het nu (daartoe gedwongen) tegenover Esser deed; dat is 10 × beter, vind je ook niet? Dat ‘mensch tegen mensch’ was trouwens een concessie aan Henny, en aan een pakkende phrase, achteraf beschouwd.

Ik begon overnieuw aan iets, waarvan het begin mij nu wel bevalt. Drie blz. nog maar... God weet wat het worden moet! Maar ik heb Godius (die nu Maarten heet inpl. van Reinald) totaal herzien, er nu een verhaal van gemaakt, (van 50 blzn. inpl. van 70) en het aan Menno gestuurd om te zien hoe hij het nu vindt. Bep, die het vroeger niet zoo goed vond, is er nu heel tevreden over. Misschien is het - nu dit van mij af is! - een aanloop tot een nieuw verhaal. Ik heb er wel zeven in het hoofd, zooals je weet!

Valentijn van Uytvanck kondigde zijn bezoek aan. Ik kan niet zeggen dat het idee mij met vreugde vervulde; ik heb afwerend teruggeschreven en de ontmoeting is nu een week uitgesteld. Een beste kerel, au fond, maar mij toch te veel verwant aan ‘de Kring’, en bovendien, hoe minder van deze kennissen mij hier bezighouden, hoe beter. Ik heb hem gezegd dat ik nu werkte als op kantooruren*

Boender over Querido is bij momenten alleraardigst. B. zelf is een niet dom man, die vnl. praat vanuit zijn ‘gezond verstand’ (ce qui ne suffit peut-être pas), maar Querido staat er toch zóó uitgekleed in, dat het moeilijk overtuigender kan: deze ‘reus’ blijkt een hansworst te zijn, een ‘kermiskampioen’ van het treurigste soort. Nog iets waar, geloof ik, alleen Holland in kon vliegen. Ik heb lust een ‘lof op Boender’ te schrijven, voor het panopticum misschien. Kan je me nog eens precies zeggen wat voor een man het is; en mag ik die gegevens dan gebruiken?

Stuur mij de ‘brief aan Esser’ terug.

Veel hartelijks voor jullie van ons; steeds je

Ed

 

Ik begin mij te verontrusten, en Bep ook, als de post niet twee, of althans één missive van je brengt. Ben je zoo moe van het begraven?

2356Brief van 11 oktober 1932, bewaard in het Letterkundig Museum te Den Haag.
*Wil je, zooveel dat gaat, ons adres geheim houden voor Hollanders, die niet bepaald tot de vrienden behooren?
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie