E. du Perron
aan
S. Vestdijk

Gistoux, 14 juli 1932

Gistoux, Donderdag.

 

Beste Simon,

Ik schrijf je dit terwijl Simone bezig is boven haar koffers te pakken. Ze is vol rancune en onaangename toespelingen in den trant van ‘dat mijn moeder nu toch een andere schoondochter heeft’; ik vind het onaangenaam in zulke omstandigheden er bij te zijn, ik ben hier alleen maar aanwezig als de gendarme, ingeval van ruzie! Vanmorgen, vóór zij kwam, kreeg ik een briefje met verwijten dat ik niet meer dezelfde was, dat ik altijd partij trok voor mijn moeder,* dat ik mij niets van haar aantrok en zoomeer, en dat zij altijd een vreemdelinge voor mij was geweest. Ik heb haar een mooie brief geschreven, waarin o.a. dit: dat wanneer alle vreemdelingen zoo'n rol in mijn leven hadden gespeeld als zij, dat ik dan niet alleen moe en miserabel zou zijn, maar dood en begraven. - Ik vraag mij af wàt zij wil: Iedere keer als ik bij haar kwam, in Brussel, ben ik ellendig weggegaan; zij is niet zóó los van mij als jij veronderstelt, en het is toch duidelijk, het moet toch ook duidelijk zijn voor hààr, dat er inderdaad, sedert mijn huwelijk met Bep, eenige dingen veranderd zijn! - Ik schrijf je dit omdat ik van haar hoor dat jij Maandag a.s. wschl. komt. Gille is dan bij haar, want hij gaat Zaterdagmorgen van hier weg. Mijn moeder is er geheel van overstuur, en heeft den heelen tijd door getracht het met Simone goed te maken, om althans in de noodige relaties een ietwat aangename toon te hebben, maar Simone schijnt doodsbenauwd te zijn dat zij weer zal worden ‘ingepalmd’, ofschoon ik haar de verzekering heb gegeven dat ik dat ook zou ver-hinderen, zoolang het eenigszins kon! Ik heb mijn moeder nu 100 × op het hart gedrukt dat ze het nooit meer op een samenwonen moest aansturen, en zij schijnt dit zelf te begrijpen; maar er zijn natuurlijk overal nog prikkels en kwetsbare plekken, en ik ben ernstig bang dat het geval tusschen Simone en haar zich - nu over Gille! - zal herhalen. In ieder geval heeft Simone vooreerst haar zin, en de rest is een kwestie van tact. Bijv.: mijn moeder wou Gille voorloopig (zoolang hij niet naar school gaat, dus tot September a.s.) 2 dagen in de week bij zich hebben, bv. Zaterdag zou hij worden gehaald, Maandag teruggebracht. Simone zei daarop dat zij die dagen juist zoo alleen was; dus zal Gille nu Donderdag worden gehaald en Zaterdag teruggebracht. Waarmee ik dus die verwijten en dat rancuneuze optreden verdiend heb, weet ik niet, en zij zelf wschl. ook niet; één ding is zeker, als ik Maandag a.s. met Bep eindelijk van hier weg kan (naar de Ardennen) heb ik het gevoel dat ik weer volop voor mijn 3 weken vacantie in Lugano betaald heb. En ik moet erbij zeggen, nu al, omdat ik het nu zoo goed voel: ik hoop van harte dat de nieuwe regeling (met Gille) nu ook werkelijk eenige verademing zal geven; anders zou ik mij genoodzaakt zien mij werkelijk alleen maar tot officieele geldzendingen te beperken. Je begrijpt, beste kerel, dat als mijn nieuwe bestaan met Bep, door voortdurend getrek aan mij van twee kanten (Simone en mijn moeder) bedreigd wordt, of enfin, grootendeels onmogelijk gemaakt, dat ik dàn ook niet lang meer zal aarzelen om althans iedere persoonlijke verbinding af te breken. (Het zou trouwens niet anders zijn als ik elders een baan had!) Ik vind het eerlijker ook jou vooruit hiervan op de hoogte te stellen; en het zou mij verder spijten, maar die ‘complexen’ van Simone voor mij moeten dan maar door drooglegging verschrompelen en afvallen. Er is zooveel onuitgesprokens in dit alles, dat telkens op heel andere terreinen zich tòch manifesteert! Je begrijpt dat een jalouzie van Simone voor Bep, die zich in onaangenaamheden tegenover mijn moeder zou uiten en over Gille, een beetje erg gecompliceerd en naargeestig worden zou. Ik ben werkelijk beroerd van dit alles, ofschoon Simone tegenover mij natuurlijk heel lief en zelfs zielig blijft.* Maar het resultaat is hetzelfde; de claim, het trekken, de wrijving die voortdurend over mij schijnt te moeten gaan; en God weet hoe ik dààr nu juist mijn bekomst van heb!

Straks ga ik met Simone naar Brussel, Zaterdag gaat Gille naar haar toe; Maandag gaan Bep en ik van hier weg. Dat is het programma. Hoe hard dit alles voor mijn moeder is, kan je je voorstellen, en zij is óók lastig, maar er valt met haar tenminste meer te ‘praten’ dan met Simone. Enfin, mijn laatste hoop is nu in die nieuwe regeling gesteld.

Later eens beter! Schrijf mij gewoon naar Gistoux, de brief wordt me dan wel doorgezonden, als ik weg ben. Een hand van je

E.

 

P.S. Greshoff is in Holland natuurlijk al aan het kletsen gegaan over jou en S., en dat nog wel in gezelschap van Bouws! Kan men anders verwachten? Ik haal er mijn schouders over op.

*Van mijn moeder hoor ik 3×in de week dat ik altijd Simone voorsta en niets om haar geef, enz.
*Ook, in laatste instantie, als zij van die rotbriefjes schrijft!
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie