E. du Perron
aan
H. Marsman

Brussel, 24 juli 1931

Brussel, Vrijdag.
dit is geen hamer, maar
een nette manier om
‘Gistoux’ weg te werken!

Beste Hennie,

Schrijf me weer naar Gistoux, waar ik morgen weer heenga. - Dank voor je brief. Grappig dat B.G. aan E. (door jou ‘verafschuwd’ en door Menno ‘veracht’1909) je ditmaal niet meer zóó hinderde. Ik moet je eerlijk bekennen dat ik van al jullie afschuw en verachting nooit veel begrepen heb; het is voor mij een rasverschijnsel, meer niet. Noch Malraux, noch Pia - en beide zijn zeer intelligent - hebben zich over de vertalingen die ik hen daaruit mondeling opzei (dus ga na hoè beroerd het qua vorm dan tot hen gekomen is) eenigszins dik gemaakt, integendeel. Vanwaar dan die algemeene boosheid in Holland? Dat het geen meesterwerken zijn, wil ik graag aannemen. Maar wàt hindert jullie zoo? Het te droge, te naakte van den vorm? Of de mentaliteit, de inhoud? Of beide? Persoonlijk voel ik voor de mentaliteit ook niets meer, en zelfs niet voor den vorm, maar afschuwelijk en verachtelijk kan ik zooiets niet vinden (ik be-doel nu: als ik mij indenk dat een ander het geschreven zou hebben, - Blijstra bijv.) Er moet hier een ‘vitalistische’ reden bestaan, misschien zelfs ‘vitalistisch-aesthetisch’. - Ik kan je alleen zeggen dat deze dingetjes mij schrijven hebben geleerd; veel méér dan Een Voorbereiding (dat in de eerste druk nog vòl nuttelooze bavardage's zat); wat jullie de ‘volle waarde van den zin’ noemden - in tegenstelling met het ‘overwicht van het woord’ (ik denk aan zooiets als de inleiding van Van Wessem voor de bloemlezing van jongeren uit het Getij1910) heb ik hier voor mijzelf gevonden; en ik geloof dat wàt ik voortaan ook schrijven zal, de leerschool van B.G.a.E. in mijn stijl merkbaar zal blijven. Daarnààst is voor mij van belang dat dit boekje ook volstrekt niet alleen een schrijfprobleem is geweest, dat het niet alleen de ‘liefde voor het opstel’ was (als in De Bries van Kuyle), maar wel degelijk meteen een levenshouding reeds inhield, al was het dan het probeersel van een levenshouding. Het was een pose, maar zoo eerlijk als maar eenigszins kon. Op dit gebied kan je je B.G.a.E. niet verklaren, dunkt me, dan na Een Voorb.; beide zijn naïef, maar II is een reactie van I - in Een V. het eerste conflict tusschen de ‘dorpsjongen en de Europeesche vrouw’, in II de houding van genoemde jongen, die meende dat hij het nù geleerd had! - Je hebt verder groot gelijk wat betreft het eruit vallen van Ieder zijn kwelling; dat ding werd geschreven toen ik eigenlijk deze phase al uit was; als het niet qua schrijfwijze zoo mager was, had ik het in Nutteloos Verzet ondergebracht.

Nu basta hierover; ik verdedig me tòch zonder succes! Voor jullie is De Bries tòch onzegbaar veel mooier en beter. Voor mij niet, hoe verwaand dit dan ook moge zijn. Het is au fond altijd weer het ‘boerelullen-standpunt’, ik bedoel: het anti-dito, waar ik je in mijn vorige brief van sprak. De boerelul-met-liefde-voor-het-opstel laat mij koud. Zoo Kuyle, zoo Coster, zoo, in zijn kritieken, Donker. Vraag daarentegen aan Vic Vriesland wat hij, als jongen van 23, 24 liever geschreven zou hebben: De Bries of B.G.a.E. Ik heb hem nooit deze vraag gesteld, maar ik ben er vrijwel zeker van, dat hij zal zeggen: het laatste. Een andere waardeering ambieer ik niet.

Met Menno was het héél prettig in Gistoux; niet alleen de lieve, begrijpende, rustige Truida was er, maar, één avond, ook de intel-ligente, tactvolle Elisabeth de Roos. Ik was werkelijk wat melancholiek toen ik weer alleen gelaten werd. - Wat Van Wessem betreft, hij is zeker een geschikte kerel: voorzichtig, maar smaakvol en begrijpend, meer passief overigens dan opwekkend; - maar zijn vrouw vind ik gewoonweg om op sterk water te zetten. Een geweldige klets, die er op uit was om prikkelend en geestig te converseeren, verder om vooral te bewijzen hoè goed ze alle ‘auteurs’ kende en dat een Nederlandsche patricienne die gereisd heeft, alle Fransche en soortgelijke geest volkomen door heeft en beheerscht, etc. Ze is volmaakt ridicuul geweest, en ik heb mijn uiterste best moeten doen om - terwille van dien goeden ‘Stan’, die erbij zat als een reeds half opgevreten muis, die met eerbied de sprongen van mama Kat volgde - nog zoo'n beetje beminnelijk te doen. Het liefst had ik het lievelingswoord van Père Ubu1911 op haar afgeschoten. Ze wou ook ontzettend analytisch over alle wederzijdsche kennissen praten, o.a. over Nijhoff. Ik heb haar precies gezegd wat ik van hem denk en ik hoop dat ze het hem overbrengen zal - (hoe zou het anders?) Toen ze terug zouden komen: want ‘Stan’ verbeeldt zich dat ik zijn vrouw alleraardigst vind en dat wij bizonder goed samen zijn opgeschoten, heb ik getelegrafeerd dat ik verhinderd was, door vermoeienis van mijn moeder, - ofschoon ik deze vermoeienis meer vreesde, dan waarnam; - nadien heb ik niets meer van ze gehoord. Misschien zijn ze boos op me.

(Dit alles strict onder ons; informeer eens voorzichtig òf ze boos zijn, maar laat die goede ‘Stan’ maar denken dat ik zijn vrouw erg aardig vind. En zoo onderhoudend en cosmopolitisch!)

Ik las eindelijk Point counter Point, dat ik heel erg vervelend vind. Hier merk je het verschil tusschen Les Faux Monnayeurs en een boek als dit; ze kunnen alleen uiterlijk met elkaar vergeleken worden, en dan nog! Huxley had op zijn best een Engelsche Europe Galante kunnen schrijven; het is een Engelsche Paul Morand, die een Gide heeft willen zijn. - Mondeling meer hierover, als het je interesseert.

Vera heeft tòch een zekere standing; door de toon. Psychologisch is het inderdaad eigenlijk niets. Maar ik blijf erbij: het zou jammer zijn het niet anders te maken en wel uit te geven. Kan je mij de rest van de copie nù niet zenden, inplaats van eerst na Sept.? - Ik kijk dan alles ineens door, wat veel beter is. En je zou er in Gistoux dan al aan kunnen werken. Het samenstellen van de bundels voor Stols doen we ook samen, in Gistoux. Zou je aan Vera niet een 3e deel kunnen schrijven, eig. een 3e avontuur (ontmoeting) dus, met een soortement Bringolf? Heusch, het zou alles sterk releveeren! Maar werk eerst de 2 bestaande deelen om, en ga dan, op die schrijftrant voort aan deel 3, als je je geïnspireerd voelt. Beschouw alles als proef, dat is heel goed: l'art de faire un livre; en neem mij als entraîneur. Ik beloof je dat het in ieder geval een goed en leesbaar boek wordt, zij het dan lang geen ‘meesterwerk’.

Ik wou dat ik mezelf als mensch anders voelde - maar zooals het nu gaat, ontzeg ik mij het recht iets te ‘scheppen’. Kun je je dat voorstellen? Of lijkt dit je ‘aanstellerij’? Het is droevige ernst.

- O ja, je moèt Vera goed maken, omdat Pom er zoo op neerkijkt. Je moet hem in boekvorm iets in de maag splitsen, waar al zijn vooropgezette kritiek opeens machteloos op afglijdt. (Zooiets reëels is heel goed om aan te denken.) Maar wees dan niet eigenwijs en maak van Ilse von Kehrling een vrouw, en een niet een would-be-interessante cultuur-baedeker. Als Pom je ‘pakt’ is het op die punten, en hij zou gelijk hebben. Alsof hijzelf een ‘reuze-cosmopoliet’ was, en niet ook nog maar een Hagenaartje die in het snert-cosmopolitisme van zijn eigen vrouw nèt zoo stom trapt als ‘Stan’ in de losse allures van zijn ega. Als wij samen op dit gebied een pleefiguur slaan, dan verdienen wij niet beter, Hennie, dan door Pom gebom bardeerd te worden met de paardevijgen die ‘Nettie’1912 hem aanreikt. - Dààrom (par manière de dire!) moèt je Vera opknappen. Laat het gerust geen meesterwerk zijn, maar een ding van standing, en niet alleen wat de stijl betreft. Of, om het hàrd te zeggen: fouten in Vera zijn zoo erg niet, maar wat uit dit boek moet is ‘Utrecht’. - (Ik zeg ‘Pom’ en ‘Utrecht’ eig. alleen als voorbeelden.)

Met Proteus hoef ik je heusch niet te helpen, als Vic dit reeds deed. Hij heeft van zooiets veel meer verstand dan ik, en ik geloof dat je je op zijn advies gehéél kunt verlaten. Hij hielp mij uitstekend met de samenstelling van Mikrochaos. Vind je het niet grappig, al die ‘ontmoetingen’ in onze titels? Vgl.: Kort Geding - Tegenonderzoek; Voor kleine Parochie - Afscheid van Domineesland; Vriend of Vijand - Man tegen Man; Mikrochaos - Proteus. Gide heeft gelijk als hij zegt dat de ‘jongeren’ altijd veel receptiever zijn, en door de strooming-in-den-tijd bewogen worden, dan ze zelf weten. Ook de oogenschijnlijk méést opstandigen.

Er is een ongeluk gebeurd met mijn proeven; een dik pak is weggeraakt, op weg naar Maastricht! Je moet dus nog wat geduld hebben - ik trouwens ook. Tot nader; ditmaal heb je toch weer een lang epistel.

Hartelijke groeten, ook aan Rien, van je

E.

 

P.S. - Als je over Nutt.Verzet schrijft, vergeet niet dat daar eigenlijk bij hoort, als geheel uit denzelfden tijd, dat verhaal dat nu in de Bijleveld-bundel staat.

 

1913P.S. Lees eens, om een idee te krijgen van een kerel, tegenover wien men Vera zou willen zien, de mémoires van Bringolf: Duitsche uitgave (- kan je bij Ter Br. leenen) of Fransche uitgave, bezorgd door Cendrars (Au Sans Pareil). Tien maal beter dan Rhum, Dan Yack en dergelijke Schund.

E

Denk over een 2e deel van Vera! even groot als dit!

1909Op 4 februari 1931 schreef Ter Braak: ‘Jezus, wat versmaad ik dat boek!’ (Bw TB-DP 1, p.50; zie ook p. 66).
1910De jongeren. Bloemlezing uit het werk der jongere Nederlandsche dichters. Samengesteld door Ernst Groenevelt met een inleiding van Constant van Wessem. Amsterdam 1919. Zie vooral p. 8.
1911Het toneelstuk Ubu roi van Alfred Jarry (Parijs 1896) opent met de volgende uitroep van Père Ubu: ‘Merdre!’, wat zijn steeds terugkerend stopwoord zal zijn.
1912A.H. Nijhoff-Wind.
1913Op de envelop geschreven.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie