E. du Perron
aan
F.E.A. Batten

Gistoux, 15 mei 1931

Gistoux, Vrijdag.

 

Beste Fred,

Ik voel eigenlijk niets voor die verzamelnrs. van bewonderende getuigenissen,1795 waarin het orgaan van den een, dat van den ander doodzaagt. Maar enfin, gegeven de loffelijke bedoeling en het juveniel enthousiasme... Ik heb je brief aan Ter Braak doorgestuurd met een kleine aansporing mijnerzijds1796; dat is dàt. Ik sprak gisteren Greshoff, die ook mij beloofde een stuk te zullen ‘probeeren’. Wat mij betreft, ik zal je iets zenden, maar misschien eerder voor 1 Juni dan voor 25 Mei. Zal ook Jan van Nijlen wat vragen; de anderen zie ik niet en ik ben er ook vrijwel zeker van dat ze geen tijd of lust hebben om binnen zoo korten tijd een ‘stukje’ over Couperus (nog wel!) te plegen.

Ik moet eerstdaags voor een paar dagen naar Parijs; verder heb ik A. Roland Holst hier - vanaf morgen - te logeeren. Ik zal hem ook wat vragen, maar ben er alweer vrijwel zeker van dat hij het niet zal doen. Als hij hier is, zal er van stukjes schrijven niet veel komen. Met de Pinksterdagen heb ik Marsman hier, dat zijn ook weer verloren dagen. Tenzij ik dus vanavond of morgen een bevlieging krijg en het stuk ineens afroffel (zooiets overkomt mij weleens), kan je het dus moeilijk vóór eind van de maand hebben; laat ons zeggen tusschen 27 of 28 Mei en 1 Juni uiterlijk.

Greshoff is altijd schaarsch in zijn correspondentie; hij moet te veel schrijven daarbuitenom. Marsman zond me je brief door, wschl. omdat ik er eenigszins schuld aan had. Inderdaad, het was erg poème-en-prose-achtig en je hebt het er wel dik op gelegd. Je zult moeten leeren begrijpen (jongeman), dat de dagen van dit artistiek-romantisme voorbij zijn, dat wij leven in een tijd die vitaler wil zijn - coûte que coûte - maar in werkelijkheid nuchterder is dan die van het realisme. Iemand die je niet kent, moet je na zoo'n brief aanzien voor een geëxalteerde dwaas. Ik heb Marsman en Greshoff nu ingelicht, maar raad je aan tegenover anderen je toon (niet je stijl op zichzelf, die heelemaal niet slecht is) te wijzigen; d.w.z. sterk te vereenvoudigen. Je maakt een razend misbruik van accenten. Als je Slauerhoff zoo'n brief schreef, zou hij hem halfgelezen verscheuren. De eenige die er misschien zich nog door zou laten ‘bedwelmen’ is Dirk Coster, - maar bedenk wie ik daar noem!

Tusschen haakjes: ik heb op zijn quasi-superieure reactie (met het armeluismopje op het kasteel) al lang geantwoord: een copie naar De Stem, een andere naar D.G.W. In Juni dus, in het eene of in het andere; hoogstwschl. in het ‘andere’.

Zie hoever je komt met Duunk, en wend je voor alle verdere inlichtingen tot Greshoff himself.

Ik zend je gelijk hiermee mijn eerste deel Cahiers; tot mijn spijt kan ik je de rest niet zenden. Als je nog eens fl.3. bij elkaar krijgt, zou je ze kunnen wijden aan den bundel van Marsman en de twee bundels van Ter Braak.1797 Een Voorbereiding is officieel nog niet uit; ‘in het najaar eerst’, volgens boekverkoopers-jargon. Stols is eindelijk terug; ik zal hem toch ook nog eens vragen naar je verzen.

Geef me alsjeblieft de verzendkosten en contributie, etc. op voor die boeken van Couperus, en vraag Annie1798 zoo noodig mij dat zoolang voor te schieten. Zeg haar verder dat ze, als ze wil, na Pinksteren hier zou kunnen logeeren. Laat haar mij schrijven; mijn adres krijgt ze dan van jou.

Mijn zoon heet niet ‘Eddy’, maar Gille. Deze naam is libertijnsch, zooniet ook romantisch, en eenige libertijnsche aanleg meen ik in mijn telg te bespeuren; maar verdere anti-Costerlijkheden zijn hem vreemd. Trouwens, als hij ‘groot’ is, (en hoogstwschl. de pen niet voert,) is Coster al lang dood en begraven, ik vrees vnl. als scribent.

Voor vandaag laat ik het hierbij; ik moet naar Brussel.

Met beste groeten, je

EduP.

1795Batten had DP (en een vijftigtal andere schrijvers) gevraagd om een bijdrage voor het door hem te redigeren Couperus-nummer van De schakelaar, ‘orgaan van Haagsche instellingen voor voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs’ en DP bovendien verzocht zijn literaire vrienden om een bijdrage te vragen.
1796Zie Bw TB-DP 1, p. 92.
1797Kort geding, Afscheid van domineesland en Man tegen man.
1798Annie Battcn-Rijpstra.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie