E. du Perron
aan
J.A.A. Engelman

Brussel, 30 januari 1931

Brussel, Vrijdag.

 

Zeer geachte heer Engelman,

Afgesproken: zoodra het stuk hier terug is, zal ik dat gedeelte wijzigen.1500 Tusschen Den Doolaard en u is het overigens zeker géén kwestie van plagiaat1501; dat heb ik, meen ik, ook niet geschreven. De passages uit Van Ostaijen waren veel meer ‘verdacht’. Daartegen over staat dat tot dusver eig. niemand dergelijke vocalises geschre-ven heeft, zonder dadelijk te doen denken aan V.O.; Burssens ontkomt er sòms aan, maar 1 op de 10 maal. U is eig. met En Rade en vooral met Vera J. de eerste die er geheel aan ontkomt. Ik vind die beïnvloeding van P.v.O. overigens allergekst, want als het mij interesseeren zou vocalises te schrijven, zou ik zéker eenige ‘manieren’ vinden die met de zijne niets te maken hebben. Het is eig. een nog onuitputtelijke bron.

Uw Sine Nomine bevat voor mij zeer veel moois, vooral onder de kleinere, zuiver lyrische gedichten. (U moest uw verzen eens verzamelen: Het Roosvenster, Sine Nomine en wat er nog nakwam, in een gewoon formaat, b.v. dat van Paradise Regained; die verzenbundels die op teekencahiers lijken, zijn zoo pretentieus en vervelend, zoo ‘schijn-aardig’.) Ik spreek u hier expres over omdat u het heeft over de Brusselsche kolonie en haar houding tegenover de katholieken. De Brusselsche kolonie is een fictie; ik heb hier 2 vrienden: Greshoff en Van Nijlen, en zie overigens af en toe Maurice Roelants; de 2 laatsten hebben zeker niets tegen de katholieken. Wat mijn persoonlijk gevoelen betreft: u zult dat binnenkort kunnen lezen in deel I van mijn Cahiers, een verwoed opstel dat ik in '27 schreef of '28 en waarin ik één uitzondering maakte, n.l. voor Helman.1502 Maar u begrijpt toch wel dat deze persoonlijke gevoelens ten slotte onmiddellijk zwichten tegenover een werkelijk talent? Ik sta volkomen ontwapend tegenover geloof dat zich uitdrukt als bij Gezelle of Stalpaert van der Wielen (aan wien Gezelle meer dankt dan men tot dusver heeft doen uitkomen). Ik heb alleen een zeer groote hekel aan de modernerige manier van met ‘God’ om te springen - die wschl. begonnen is met het voor mij idiote, aanstellerige en nietszeggende Franciscus poëem1503 van Gijsen*, en die door Henri Bruning, in Seinen van Kuyle en dergelijke poëzie is voortgezet. Geloof is een equivalent van Liefde (is Liefde, zult u zeggen; mij best), maar een groote Liefde drukt zich nooit uit met zulke reclame-allures. M.a.w. wanneer een geloovig mensch - katholiek of protestant, om het even - zijn geloof tot poëzie weet te maken, aanvaard ik hem zonder moeite; wat ik verafschuw is het gebrek aan poëzie, aan talent, dat door de attributen van het geloof voor een bepaalde gemeente toch markt-waarde krijgt. De Ravenzwarte b.v. van den heer Van Duinkerken vind ik een schaamteloos prul; ik kan mij niet voorstellen dat een vurig katholiek (denkt u aan Barbey d'Aurevilly of Léon Bloy) zooiets géén smakeloos bocht zou vinden. Le mie Prigioni van Silvio Pellico is een van de nobelste boeken die ik ken, maar de Celbrieven van Wies Moens (o dat Vlaamsche martelaarschap van èlf lànge màànden!) vervelen mij van den eersten regel tot den laatsten. Brengt u deze houding trouwens op ieder gebied over: de autobiographic van Trotsky boeit mij van begin tot eind, de Gartenlaube1504 van het socialisme, Jef Last en dgl. lijken mij alleen voor de idioten onder de broeders van belang. Voilà; nu weet u het eigenlijk precies.

Nog iets anders - buiten den graad van talent nu - is dit: het katholicisme, evenals iedere andere godsdienst, bevestigt, moèt bevestigen. Tegenover die bevestiging rebelleer ik op slag, kan ik weer niet anders dan rebelleeren. Leest u bv. Victor Poucel over Gide1505; dat is heel aardig, maar voor mij a priori onwaar. Wat voor mij in dgl. gevallen overblijft is het spektakel (in den zin van ‘schouwspel’): Savanarola is een opwindend, Bossuet een imposant, Pellico een menschelijk-waardig, Stanislas Fumet een torcheculatief spektakel. - Uw debat met Ter Braak1506 is hiervoor een klein bewijs; voor mijn gevoel heeft Ter Br. gelijk, voor mijn verstand hadden beiden evenveel recht van spreken, en heeft diè het dus gewonnen (voor zoover hier van winnen sprake kan zijn) die het best gesproken heeft. Het Katholicisme is natuurlijk aanvechtbaar, maar de man die zich verbeeldt het dààr gewonnen te hebben is nòg naief, want achter het katholicisme, dat een vorm is, raakt men onvermijdelijk op het drijfzand van het geloof, waar al de troepen van het verstand alleen maar in den bodem kunnen zakken. Vandaar dat ik Gide wel verdedigen wil tegen de bevestigingen van Poucel, maar het ‘geloof mis om den strijd op het terrein van Poucel over te brengen. Wij zijn menschen die op 2 gebieden leven en den indringer gemakkelijk uit òns gebied terug kunnen slaan, maar die door den grond zinken zoodra wij een in val doen op het andere gebied. Het grappige is dat wij over en weer den vasten grond van den ander (geloof of ‘logica’) voor drijfzand aanzien. - ‘Logica’ is overigens een verkeerd woord; men zou moeten zeggen: die negatieve vorm van geloof, die ongeloof heet (en die, omdàt hij een vorm van geloof is, éven hardnekkig, éven koppig kan zijn.)

Ik laat het hierbij - 1o. schrijf ik u met griep en in bed zittend, met een inktpot op de nachttafel, wat eenigszins remmend werkt, 2o. is het mijn bedoeling niet met u over deze ‘geloofszaken’ te coquetteeren. Op ieder ander gebied misschien dan dat van het zuivere talent hebben wij, als wij elkaar niet negeeren, elkaar te bestrijden; het is het beste dat zoo vurig mogelijk te doen.

In afwachting daarvan: zouden wij den heer Van Eyck niet eens bestrijden, die in een artikel in Leiding hoor ik (ik zag het art. nog niet) Slauerhoff ‘tot op zijn hemd toe uitkleedt’. Tot dusver was die goede man alleen maar verreweg de vervelendste essayist en de onbenulligste Dichter van Holland, maar als hij compleet idioot wordt, is het misschien tijd hem daarop te wijzen.

Met vriendelijke groeten, uw dienstw.

EduPerron

 

Bij voorbaat dank voor De Nieuwe Eeuw, een blad dat ik altijd met genoegen inkijk. (Zou het niet een vertaling van mij willen hebben van Het Schot van Poesjkien?1507)

1500Engelman heeft blijkbaar gekozen voor de eerste van de drie mogelijkheden die hem in brief 710 geboden werden. DP nam ‘ontmoeting’ over, en de verzekering dat Engelman de beide gedichten van Van Ostaijen niet kende toen hij ‘Arne Borg’ schreef. Bij de herdruk van de Cahiers verviel deze laatste mededeling weer (Vw 2, p. 281).
1501DP citeerde uit Engelmans ‘En rade’ (Prisma, p. 79): ‘Sulina, Braila / Sulina, Brest / Sulina, Singapore / achter de vest’, en uit Den Doolaards ‘Ballade du jeune marin’ (Prisma, p. 115): ‘Yokohama, Valparaiso / Singapore en Brest: / Bij harmonica en banjo/Zing ik 't hart tot rust.’
1502Zie Voor kleine parochie, p. 63-64 (Vw 2, p. 50-51).
1503Marnix Gijsen, ‘De lof-litanie van Sint Franciscus van Assisi’, in Het huis (1925).
*In het Nederlandsch althans, in het buitenland ken ik andere vbdn.
1504Die Gartenlaube was de naam van een geïllustreerd familieweekblad voor de liberale bourgeoisie, dat van 1833 tot 1943 uitgegeven werd. De titel van dit tijdschrift werd synoniem met damesliteratuur.
1505In L'esprit d'André Gide (1929) polemiseerde pater Victor Poucel SJ. tegen Gide's individualisme.
1506Het debat met Ter Braak ging over het katholicisme als levensbeschouwing en werd ingezet met ‘Waarom ketters’ in DVB van oktober 1930. Jan Engelman reageerde met ‘Aveuglement du coeur’ in DVB, november 1930.
1507Een dergelijke vertaling is nooit verschenen in De nieuwe eeuw.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie