E. du Perron
aan
A.C. Willink

Brussel, 1 december 1927

Brussel, Donderdagavond.

Beste Willink,

Tout vient à temps pour qui sait attendre - en ik heb een bundel inlichtingen (en verzen) ontvangen van Dinger, het manifest niet te vergeten. Ik heb hem zeer uitgebreid teruggeschreven, vnl. om hem te zeggen dat ik met alles accoord ga, dus waarom ook niet met het manifest? en dat ik fl.10. in de maand (eventueel) zou bijdragen. Laten we nu afwachten wat-i doet, wat Blijstra doet, wat Van Ostaijen doet, wat de heele phalanx doet die Dinger denkt bijeen te brengen. Ik schreef hem ook over het maandplaatje! - ja, het jouwe.

Sebastiaan243 is gelezen en teruggegaan. Daar ga ik ook al mee accoord. Buikpijn heb ik er niet van gekregen. De stijl van de heer Hondius, ik bedoel: zijn woordkeus en vertelwijs zijn me zelfs sympathiek. Dat al zijn personage's de puberteitsperiode nog niet te boven zijn en met beurt om beurt erotische en Leger-des-Heils-gevoelens rondloopen - wat kunnen wij daaraan doen? Voor sommige menschen is zoo'n toestand misschien wel het hoogst-denkbare drama* Dat wij daartoe niet behooren is - wie weet - misschien wel ons ongeluk. - Mr Hondius herinnert mij aan Arland: een Arland met minder fut dan toch. - Ik heb net een meesterwerk achter de kiezen, iets eerste-rangs, van de 1e tot de laatste=506e bladzij: Jean Barois van Roger Martin du Gard.245 Het is in de N.R.F. verschenen; als je eenigszins kunt, lees het dan; er zit geen sprank humor in, maar het is geweldig. En misschien treft het jou meer nog dan mij.

Ik wacht op de 2e proef van de Vlinders. Zeg B. dat ik mij wel met de verzending aan de Vl. bladen belasten zal: die bladen vragen, zooals je weet, 2 exx. voor een recensie, die ze dan soms nog niet eens geven. ‘Rottig’, misschien, maar als je op de Vlaamsche kritiek gesteld bent -. Ik kan V.O. natuurlijk wel om een recensie vragen voor één ex.! en erg veel bladen komen er ook niet in aanmerking. Laat zeggen: 14 of 16 exx. naar de verdommenis, en 10 die ik bij ‘Gudrun’246 kan brengen. Dan gaan er dus een 175 exx. naar Holland, en de rest gaat Blijstra en Dinger aan. Ook met de verdeeling van de duiten ga ik accoord, zooals ik, geloof ik, al heb geschreven.

Maar géén 75 cents als prijs! Het feit dat het boekje in België gedrukt is, moet geen reden zijn om ook het Holl. publiek te laten profiteeren. Die Belgische drukker is onze trouvaille, en gegeven het geringe aantal liefhebbers voor onze waar, verdedigen wij ons ook met hand en tand. Later, als men om onze boeken elkaar zal vertrappen doen we misschien anders. Maar voorloopig zeker niet. Probeer dit Dinger uit te leggen, d.i. door Blijstra uit te laten leggen.

Het ‘mede-collega’-schap tusschen die twee heeren is mij nog niet genoeg omschreven. Is het er een op ‘socialistisch’ of op ‘uitgevers’- gebied? of is het mede voor nr.1. en het collega voor nr.2. en hebben wij dààrom die zeldzame woordcombinatie? - Hoe het zij, ik wacht op de één-acters.

Dinger is een beste jongen, vol warmte en vooruitstrevendheid. Lach maar niet te veel om hem: hij laat ons misschien allemaal in zijn kielwater (heet het zoo niet?) over een jaar of wat. In ieder geval heb ik er niets op tegen dat hij ‘het tonnetje op gang houdt’ zooals hij dat zegt. Ik raad Bl. aan hetzelfde te doen als ik: meewerken, meebetalen en verder toekijken. Het is veel aardiger dan manifesten verbeteren, zelf schrijven, abonnementen narijden, en andere dergelijke grappen. En de sneers over het gedoe worden zóó ook veel makkelijker, behalve dan oprechter en spontaner.

Stuur me als de bliksem de gevraagde pagina uit B.G.a.E. als je 't niet gedaan hebt. Anders m'n dank. Tot nader; beste groeten aan allen.

Je EdP.

247Ik heb bij mevr. Moens248 een partijtje foto's ontdekt (uit de stock van den ouden Moens) - iets onbetaalbaars. Belgische galanterie uit den tijd van de walsen van Berger. Ik zal ze je allemaal zenden als je de 11.00000249 illustreeren gaat.

243J.M. Hondius, Sebastiaan (1923).
*Vgl. het ontroerende gedicht van Dinger van dien man die zoo pijnlijk geforceerd uit keezen ging.244. -
244Mogelijk bedoelt DP een van de ‘Kwadrijnen’ die in Avontuur 1 (1928) 1 (febr.) stonden; het vijfde luidt: ‘Terwijl haast ooveral achter de ruiten/het licht gedoofd wordt, loopt in 't donker, buiten,/(geluk en leed zijn ongelijk verdeeld)/nog iemand naar zijn loopschen hond te fluiten.’
245Zie ook Vw 2 p. 176 en 187.
246Vlaamse boekhandel in Brussel.
247Alinea linksboven de brief geschreven.
248Eigenares van de door DP veel bezochte Librairie Moens, Galerie Bortier, Brussel.
249Les onze mille verges, van Apollinaire.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie