[p. 42]

4138 (556a). Aan E. Bouws: Gistoux, 14 juli 1930

Gistoux, Maandag 14.

Beste Bouws,

Ik ben weer in Gistoux terug, in afwachting dat ik mij in de 104 Bd Brand Whitlock geïnstalleerd heb(be). Over 4 of 5 dagen, een week misschien; als alles, zooals altijd in België, langzaam gaat... In de Ardennen begon ik mij wel erg te vervelen, ondanks al de lieflijkheid!*

Ik heb in dezen tijd veel gehad aan het Carnaval van Ter Braak. Ik ben veel enthousiaster dan jij, après tout; ik vind het gewoonweg prachtig. Er is een wanhoop in, een intelligente, klaarheldere, wanhoop, die mij uit het hart is gegrepen, - (om langzaam, - en Coster zou zeggen ‘schrijnend’ - in datzelfde hart te worden teruggeduwd.) Het kan zijn dat dit boek als philosofie tekort schiet; maar wat bòmt de philosofie? Het eerste hoofdstuk, dat ik 2 of 3 × overlas, is meesterlijk: het begin en het einde zijn lyrisch suggestief, neen, overtuigend. De middenmoot: het uit elkaar nemen en dan weer ineenschuiven van ‘dichter’ en ‘burger’, voortreffelijk als uiteenzetting, essayistisch volmaakt. De rest las ik nog maar bij brokken; maar geen enkele pagina heeft mij tot dusver teleurgesteld. En àls er zwakheden mochten zijn - wat dan nog? het is me even een onderwerp dat T.B. hier aangepakt heeft! - voor ons allen, voor ons halve-bevrijden, die er ons rekenschap van geven dat wij maar half bevrijd zijn, dat wij nooit anders dan half (of 1/4, of 3/4) bevrijd zullen zijn, in één woord: poignant. - Natuurlijk, het boek wint erbij als men het langzaam, bij korte stukken, leest. Maar men dient het over te lezen: zich langzaam van de eenheid ervan te doordringen, en eerst dàn kan men zich veroorloven het sneller door te schieten. En hoe dan ook: er zijn vele pagina's in, die opzichzelf een heerlijkheid zijn, die men er uit zou kunnen lichten en als poème en prose lezen, geef je vooral dààr rekenschap van.

Als ik mij niet zoo lamlendig voelde zou ik er graag een groot artikel over schrijven; juist omdat ik Ter Braak niet ken. Ik merk hoe lastig het is te schrijven over het werk van menschen die men te goed kent: b.v. dat artikel over Slauerhoff. Ik heb er dit op gevonden, dat ik verdom het voor De Gids te doen. Het is mij tenslotte

[p. 43]
onmogelijk een ‘serieus-beschouwend’ stuk over Slau te schrijven, dat aan een comité van serieuze redactieleden overgelegd moet worden; of liever, ik zou het kunnen, mais je m'en fous! Aanhoudend, als ik het in gedachten probeerde, heb ik gemerkt dat ik speciale draaien en presenteermiddeltjes zocht die mij tenslotte niet in het minst interesseeren, die van géén beteekenis zijn, noch voor mij, noch voor Slau, noch tusschen-mij-en-Slau. Als ik een stuk moet schrijven, waar hij iets aan heeft, dan moet ik het kunnen doen rechtuit, voor mijzelf; en dat moet dan ook maar gebeuren, in de Cahiers (deel 2).73 Voor De Gids zijn er nog wel Bloem of Donker, die door Nijhoff trouwens werden verkozen. Dat is, met het oog op het ‘in te lichten’ publiek, trouwens meer dan goed genoeg, en beter dan ik, als het daar op aankomt!

Over het boek van Ter Braak zou ik daarentegen wèl een ‘publiek artikel’ kunnen leggen: hier stel ik mij in, niet op een vriend, noch op een mensch, of ternauwernood, maar op een levensbeschouwing. Ik zou het daarom ook zoo graag doen, omdat T.B. natuurlijk zijn vrienden heeft, die er allemaal wel wat goeds van zullen zeggen: Donker, Marsman en zoo, - niet te vergeten Otten en Binnendijk! Maar ik vrees dat met dat alles, en met alle technische termen die deze heeren wschl. zullen gebruiken, het noodige enthousiasme in hun besprekingen ontbreken zal; dat het altijd zal worden: een lof van scholier tot medescholier, of van leeraar tot medeleeraar: ‘waarde vriend, of waarde collega, het is inderdaad voortreffelijk, uw thesis - of uw discours’. Ze zullen, vrees ik, de groote originaliteit, het ver over het essay heen-gaan, van dit boek niet zien. Jijzelf, bewonderaar van ‘Menno’, formuleert je bezwaren. En ik, die je in Scheveningen, schertsenderwijs zeide dat men in een bespreking Ter Braak natuurlijk zou moeten noemen: ‘de eerste onder de hedendaagsche Nederlandsche essayisten’*; ik verzeker je nu, als buitenstaander, als simpel lezer, in allen ernst, dat dit boek een grooteren, een ander soort lof verdient, dan diè; dat T.B. meer is geweest, hierin, dan een goed of slecht essayist, dat hij gewoonweg, volgens welke formule dan ook, een der allerbeste boeken geschre-

[p. 44]
ven heeft van heel ‘onzen tijd’. Et v'là. Je mag het hem vertellen, als mijn franctireurs-oordeel voor hem, Dr. in de Letteren en Geschiedenis, Secretaris-Generaal der Filmliga, etc. etc., van eenige beteekenis mocht zijn.

Overigens geen nieuws. Mijn huiselijke gebeurtenissen zijn niet vertellenswaard. Schrijf me spoedig wat jij uitvoert, denkt, droomt - bref, je stemmingen of handelingen van Aschwoensdag of Carnaval. - Voorloopig dus altijd naar Gistoux; ik schrijf je als ik opnieuw ‘Brusseleer’ geworden zal zijn. Kom je dan eens kijken?

Met hartelijke groeten, steeds je

EdP

P.S. Heb je Les Conquérants74 nu gelezen? Vóór, nà, of tegelijk met Döblin??

P.P.S. - Ik ben door mijn eigen élan meegesleept en heb Kramers geschreven of ik die bespreking op me mocht nemen.75 Hij heeft Houwink voor deze ‘kroniek’, maar het zal wel gaan. Alleen is W.Kr. zelf (God weet waarom) erg tegen dat Carnaval geporteerd: ja, zulke dingen gebeuren! - Ingesloten mijn brief aan hem, dien je mij direct terug moet zenden. Het komt er op een of twee dagen niet op aan, want wschl. zit hij nog wèl in München - o God, neen! ik merk: hij zit in het Mittenwald (waar kan dat zijn??) Ik heb zijn brief - die ik in Amsterdam kreeg - opgescharreld en sluit die ook maar hierin; dan heb je lectuur.

De Kramerij please met keerende post weerom!

Je E.

*Kan jij mijn vulpen in Amsterdam niet opscharrelen en mij opzenden? ik schrijf met absolute òndingen, tegenwoordig!
73‘Gesprek over Slauerhoff’ in tweede lezing in DVB 7 (1930) 12 (december), p. 337-362; met aanvullingen in Tegenonderzoek, (Cahiers van een lezer)***, p. 51-94 (Vw 2, p. 240-268).
*Want de oude knarren, die vroèger zoo goed waren, zetten we opzij.
74DP beval zijn vrienden de lezing van Malraux' Les conquérants aan, vgl. Brieven I, p. 356 en Bw TB-DP 1, p. 43.
75‘Carnaval en Aschwoensdag, Een levensbeschouwing van onzen tijd’ in DGW 29 (1930) 9 (september), p. 201-203 (Vw 2, p. 212-217).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie