[p. 285]

Shakespeare ontmand

De titel van het boekje,29 dat ik hier wil bespreken, is al erg, maar Dr. F.W.A. Korff heeft het boekje-zelf nog erger willen maken. De opzet slaagde volkomen. Ik geloof, dat zelfs Prof. Casimir geen kans zou zien, dàt wat ik de lichaamskracht van Shakespeare's werk zou willen noemen, zoo systematisch, met zulk een noeste vlijt, te verslappen en te ontzenuwen tot zulk een nare motregen van goede bedoelingen.

Sinds de wereld dagelijks oude vodden en oerwouden omzet in papier voor hare drukpersen, sinds de weinigen, die met hun bloed schrijven, worden verdrongen door de ontelbaren, die het met slappe thee doen, sinds de beschaving, zal ik maar zeggen, hand over hand toeneemt, zijn geen grootheden meer veilig. Het zegevierend ongedierte der publiciteit wemelt en wriemelt over hun neergehaalde lichamen, en de weeë, zoete lucht der ontbinding - die wierook van het moderne idealisme - hangt nu welhaast overal. Ik zwijg over de scribenten van de grabbelende nieuwsgierigheid, van de giechelende anecdote, van de miezerige kwaadaardigheid, van de bibberende angst, van de gnuivende winzucht.... want zij allen schijnen niet meer dan zij zijn, en zij maken het kort tusschen brievenbus en prullenmand. Maar ik zwijg ditmaal eens niet van die ‘Suikeren Reuzen’30, de verheerlijkte handlangers der Ethische Philosophie, die onder het zalvend aanroepen van wat zij Liefde en Goedheid heeten, elke heldere en wagende levensdrift zoeken te verleiden tot hun laf dieet

[p. 286]

van geestelijk vegetarisme. Ik wil dan desnoods nòg daarlaten, dat in het onstuimig weer van den geest, waaronder wij leven, de overtalrijke zwakzinnigen en verwarden bij kudden tegelijk schuil zoeken binnen die overhaast opgetrokken onderdaken, waar zij kunnen bekomen onder het gehoor van, bij voorkeur uit het Oosten geïmporteerde, predikers; onderdaken, die zich zienderoogen uitbreiden tot wat men de Sanatoria zou kunnen noemen van deze onrustbarend toenemende Tuberculose der Moderne Ziel. Het is tenslotte wellicht beter, dat dezulken érgens worden ondergebracht, dan dat zij de nog manbaren overal in den weg blijven loopen. Wel vraag ik mij af, of een contrôle voor de toelating tot deze Sanatoria niet wenschelijk zou zijn. Want zoo óngaarne men zich blootstelt aan physieke besmetting, zoo gáárne schijnt men het te doen aan die der psychische t.b.c., terwijl bovendien de door geen enkel voorschrift geregelde ontucht dezer aangetaste zielen niet anders dan tot een jammerlijke inteelt zal moeten leiden.

In mijn hart neemt echter de weerzin tot walg toe, als ik het aan moet zien, hoe men de groote kunstenaars van onze westersche wereld in deze Ziekenhuizen aanstelt als verplegers en geneesheeren, die er, strikt volgens de teemende voorschriften der ethische philosophen, hoop en troost mogen uitdeelen. Dichters als Dante en Milton zijn voor zulke doeleinden minder gemakkelijk pasklaar te maken: het is of zij met een vurigen wil hun eigen gehoor streng bepalen. Goethe, daarentegen, leent er zich prachtig toe; hij is die plechtige, simpele wijze van te zeggen, dat gras groen en water nat is, zoo volkomen meester, dat hij wel onweerstaanbaar moet zijn voor de samenstellers van scheurkalenders met stichtende en opbeurende uitspraken voor iederen dag. In zijn werken is dan ook de scheppende verbeelding al grootendeels vervangen door den aandrang dàt te geven, wat hijzelf (sprekend van zijn werken) ‘Bruchstücke einer groszen Konfession’ noemde. De Ethische-Scheurkalender-Mentaliteit straft er hem, niet geheel onverdiend, wèl voor! Maar dat Shakespeare, de dichter in wien, grootscher en volkomener dan in welk dichter ook, het dagelijksch leven bewogen wordt door de scheppende verbeelding, ten prooi moest vallen, en vrijwel zonder protest, aan deze mentaliteit, is een onduldbare schande. Uit hem

[p. 287]

schijnt men alles te mogen halen. Ik herinner mij een magere juffrouw in Engeland, die een lezing hield over ‘What Shakespeare thought about Woman-Suffrage’. Men leerde er althans uit ‘what a suffragette thinks about Shakespeare’. En zoo leert mij het boekje, dat hier voor mij ligt, wat Dr. F.W.A. Korff van Shakespeare denkt; maar vooral leert het mij wat een mensch, die Shakespeare met hart en ziel èn lichaam beleven kan, moet denken van Dr. F.W.A. Korff en van de Ethische Philosophen.

Zij zijn wezens, die ‘als het er op aankomt’ het nut en de veiligheid verkiezen boven de schoonheid en de kracht des levens. Zoo zeker als de mensch in het natuurlijke leven daar recht op heeft krachtens het scheppend vermogen van zijn geest, evenzeker vergrijpt hij zich aan het leven zoodra hij er zich op toelegt de schoonheid en de kracht des geestes om te zetten in veiligheid en nut. Ik wil maar zeggen, dat men, een groot verlies aan natuurschoon ten spijt, het recht heeft de Zuiderzee te dempen, om aan vele boeren een lucratief bedrijf te verzekeren, maar dat men tegen den scheppenden geest zondigt als men de Shakespeare-zee dempt ten bate van een menigte voorzichtige wandelaars, die haar nooit konden bevaren. En dat is, wat Dr. F.W.A. Korff doet - of, neen, ik overschat Dr. F.W.A. Korff: het is, wat hij zoo graag had willen doen.

Bij voorbaat tracht hij in een korte inleiding af te rekenen met het hoog en waarachtig standpunt van Friedrich Gundolf, die het werk van Shakespeare te zeer als een schepping ziet, dan dat hij zich niet zou verzetten tegen die minvermogenden des geestes, die het als een voorraad beschouwen van hun ‘problemen’, die blikjes, binnen welke zij het leven zoo gaarne inmaken. Braaf, ethisch philosoof als hij is, kiest Dr. F.W.A. Korff de nederigheid als zijn wapen, en, geheel naar den aard van het geestje, is ook hier het wapen een vermomming. ‘Wenn die Könige bau'n, haben die Kärrner zu tun’, citeert hij. Arme koningen! ‘De Koningen, over wie het hier gaat,’ zoo zegt hij van de groote dichters, ‘brengen, het is waar, hun bouwplannen wel alleen ten uitvoer. Doch juist de door hen in grootsche eenzaamheid voltrokken gewrochten stellen achteraf de Kärrner, de mindere grootheden,

[p. 288]

voor een bontgeschakeerde taak.’ Zijn taak acht hij het dan te ‘onderzoeken, welke ideeën inhoud hier aanwezig is - om het wat forsch uit te drukken: wij kunnen trachten de beschouwing van wereld en leven, die achter deze drama's ligt en in deze drama's tot uiting komt, op te sporen.’ (Zoolang Dr. F.W.A. Korff zich niet forscher uitdrukt, zal hij wel niemand ontstellen; hetgeen een ethisch philosoof ook ongaarne doet.) Het ‘opsporen’ van zulk een beschouwing zou, zelfs in het werk van Shakespeare, wellicht (en voor de Kärrner zeker) de belangrijkste bezigheid zijn, indien het den kunstenaar onmogelijk ware een nieuwe werkelijkheid, belangrijker dan welke beschouwing ook, te scheppen. Dr. F.W.A. Korff haast zich dan ook reeds in zijn inleiding zelfs Shakespeare dit vermogen te ontzeggen: ‘Hij blijft bij zijn arbeid gebonden aan de eenmaal gegeven werkelijkheid, een nieuwe werkelijkheid te geven ligt boven zijn kracht. Doch hij beeldt die werkelijkheid ook maar niet eenvoudig af, neen, hij vat haar op zijn eigen manier aan, hij geeft haar een door hem vrijmachtig gekozen structuur, hij toont ons haar, zooals hij ze zelf ziet. Dan is het dus niet onnoodig en nog veel minder verwarrend maar veeleer vanzelfsprekend en onmisbaar, dat men naar die manier, die structuur, dien kijk een onderzoek instelt, dat men m.a.w. vraagt naar de “wereldbeschouwing”, die in het kunstwerk openbaar wordt.’ Daargelaten nog de onzin, dat een waar kunstenaar de structuur van zijn werk zou ‘kiezen’ en dat zijn ‘kijk’ voort zou komen uit zijn wereldbeschouwing in plaats van zijn wereldbeschouwing uit zijn kijk, blijkt hier dus, dat Dr. F.W.A. Korff Shakespeare het scheppend vermogen ontzegt, zonder dat hij zich ook maar afvraagt, wat de wèrkelijke zin van ‘scheppen’ is. De zin van scheppen als ‘iets maken uit niets’ is geen wèrkelijke zin maar werkelijke ònzin; hij ontstond uit een begrijpelijke, doch dwaze neiging van den mensch om aan het waarneembare leven geen einde doch wel een begin toe te dichten, en God daarvoor verantwoordelijk te stellen. Dr. F.W.A. Korff verzekert ons dan ook: ‘In den vollen zin van het woord verdient alleen God “Schepper” te heeten.’ (Lees dus: ‘in den vollen onzin van....’ enz.) Scheppen, echter, heeft één eenig waren zin: het maken van een nieuwe werkelijkheid uit

[p. 289]

de bestanddeelen van een oude werkelijkheid en dóór het daarin varen van den geest. Wie de geluiden van dit leven hoorde en daarna een werk van Beethoven, beseft zoowel den waren zin, dien men aan het woord ‘scheppen’ moet hechten, als den ónzin, dien Dr. F.W.A. Korff eraan hecht. Dat hij het deed is echter begrijpelijk: ontken het scheppend vermogen van den grooten kunstenaar, en gij stelt zijn werk open voor de ‘problemen’-ijver der ‘Kärrner’, zelfs het werk van Shakespeare, alsof hij een Hauptmann, een Heyermans ware. Wat dit aangaat is de muziek wel begenadigd; de heeren Ethische Philosophen vinden bij haar minder gemakkelijk steun voor hun rede-en zedekavelen. Doch óók de beeldende kunst en óók de dichtkunst staan of vallen enkel en alleen met het scheppend beginsel; al het andere is bijzaak.

Met bijzaak vult Dr. F.W.A. Korff zijn boekje. En met welke bijzaak! Wij kunnen hier zoo kort zijn als deze bijzaak het verdient. Dit boekje dan, zoekt de ‘levensproblemen’ in vier van Shakespeare's treurspelen: in ‘King-Lear’, in ‘Hamlet’, in ‘Julius Caesar’, in ‘Macbeth’. Dit zoeken leidt natuurlijk tot stichtende en nuttige lessen.

Over ‘King Lear’: ‘Is het erg, dat wij de ware liefde miskennen? De dichter laat ons zien, hoe erg het is.’ Shakespeare kan Dr. F.W.A. Korff niet erkentelijk genoeg zijn; vooral voor de toon, waarop hij ons zijn werk beschrijft: ‘Het stormt hier misère. Alle booze machten van hemel en aarde, van natuur en menschenwereld schijnen elkaar hier rendez-vous te geven.’ (het staat er!). De somberheid van dit treurspel laat niet na Dr. F.W.A. Korff te verontrusten. ‘'t Kan wel zijn, dat de troebelen van het jaar 1605 niet bepaald hebben meegewerkt om Shakespeare op te vroolijken’ (alweer: het staat er!), maar deze verklaring voldoet den schrijver toch niet. Hij moet wel aannemen, dat Shakespeare, evenals Dante, in de hel is geweest. Dan echter: ‘De vraag laat zich niet weerhouden: heeft deze tragische wereld een zin?’ Gelukkig wel: ‘Shakespeare laat ons zien, wat er wordt van de samenleving van zelfzuchtige wezens. Zij wordt eenvoudig een hel.’ Laten wij dus nooit meer zelfzuchtig zijn, anders wordt er misschien nóg eens een ‘King Lear’ geschreven! Dit drama leert ons ook: ‘De wereld is geen publieke vermakelijkheid,

[p. 290]

zij is niet ingesteld op de verschaffing van een zoo groot mogelijke hoeveelheid genot, haar inrichting blijkt inderdaad van zedelijken aard.’ En het oeuvre van Shakespeare blijkt steeds duidelijker een ‘inrichting’ te zijn, waar wij in dezen trant gesticht kunnen worden.

Over ‘Hamlet’: ‘Wij zijn hier nu eenmaal in het leven gezet, ons is niet van tevoren gevraagd, of het leven ons aanstond: op een goeden dag - daar zijn er, die zeggen: op een slechten dag hebben we gemerkt, dat we er waren, en nu moeten we maar zien, hoe we ons met het leven redden’ (let op de toon van dit ‘proza’!). En even verder: ‘Er bestaat dus alle reden, dankbaar iedere hulp te gebruiken, die ons tot het vinden dier levenskennis van dienst kan zijn. Wij mogen ook wel dankbaar de hulp aangrijpen, die de kunst ons in dezen biedt.’ (de toon alweer!). Nu moet ik misschien om der rechtvaardigheid wille vermelden, dat hij dit weerzinwekkende geteem hier en daar goed tracht te praten, door te verklaren, dat de kunst haar doel in zichzelf heeft, dat de kunstenaar het leven ‘uitbeeldt’, zooals hij 't ziet, en dat juist door dit en niets anders te doen zijn werk ‘een stuk schoonheid’ zal worden. Hij durft, pratend over ‘Lear’, zelfs tot de conclusie te komen, dat het ‘een armzalige opvatting van het bedrijf van den kunstenaar’ is, te beweren, ‘dat hij eigenlijk niets anders zou doen dan de een of andere theoretische beschouwing ons min of meer smakelijk toebereid opdisschen’. Zijn geheele boekje bewijst echter, dat hij dit ‘maar zegt’, doch volstrekt niet werkelijk beseft. Het werd hem afgedwongen door wat zij, die recht van spreken hadden, over kunst verklaarden, en is het hem eenmaal in enkele regeltjes (en in welk een stumperig taaltje!) afgedwongen, dan voelt hij zich opgelucht, en vult weer rustig tientallen bladzijden met het geteem zijner ‘armzalige opvattingen’. Zijn poging om het Hamlet-drama te ontraadselen, en er - dat spreekt vanzelf - leering, liefst stichting, uit te puren, leidt hem tot deze wensch: ‘Wat we noodig zouden hebben, dat is Hamlet en Fortinbras inéén: we willen en we kunnen en we mogen de inzichten van Hamlet niet prijsgeven, maar we willen en we kunnen en we mogen de daad van Fortinbras ook niet missen. Dat zou de oplossing zijn:

[p. 291]

de vereeniging van Hamlet en Fortinbras. Welnu, bestaat er zulk een vereeniging?’ Just Havelaar wordt wèl gestraft met zulke volgelingen van zijn ‘welpratendheid’! Het is weer die wensch ‘to eat your cake and have it’, die zoo kenmerkend blijkt voor de Ethische Philosophen, en die zoo onherroepelijk het nivelleeren in de hand werkt van alle hoogten en diepten tot een laf en zalvend optimisme. En welk antwoord geeft hij op die vraag? ‘Jezus Christus is Hamlet en Fortinbras ineen.’ Is er in het brein van Dr. F.W.A. Korff nu werkelijk nergens een hoekje, waar hij, zij 't dan vaag, beseft, hoe hij hier niet alleen het Hamlet-drama drooglegt, maar Fortinbras ontmant en Jezus ontheiligt?

Over ‘Julius Caesar’: het was te voorzien: na het aanprijzen van ‘de daad’, de voorzichtige angst voor de daad, voortgekomen uit ‘het idealisme, dat het kwaad in de menschen, dat de zonde loochent.’ Prof. Casimir had niet beter kunnen zorgen voor de geruststelling van den gezeten burger, voor wien in zijn hart, al zal hij 't nooit willen bekennen, ‘daad’ maar liefst synoniem moet blijven met ‘bezigheid’. Een zekere waardeering voor die felle strijders, die het kwaad niet uitsluitend met ethische be- en oprispingen te lijf gaan, is natuurlijk geoorloofd, het staat zelfs mooi en getuigt van inzicht en verdraagzaamheid. Toch is het plicht ernstig tegen hen te waarschuwen: safety first! Want: ‘het verbond van idealisme en misdaad, het moge dan nog zulk een monsterverbond zijn, is in de wereld geen zeldzaamheid. Daar is nu eenmaal niets, dat zulk een infecteerende kracht bezit, als het kwaad. Met de beste bedoelingen maakt een mensch zich op om het te bestrijden. En voordat hij het weet, is hij bezig het te bestrijden met.... ook weer kwaad, het ééne kwaad met het andere.’ Wat jammer toch. Ik hoop maar, dat niemand mij zal verwijten dit gefemel en dit geteem te bestrijden met een ander gefemel en een ander geteem. Zoekend naar een geruststellende synthese (alweer: to eat your cake and have it) van ideaal en werkelijkheid, heeft Dr. F.W.A. Korff die al gauw gevonden, weer in Jezus Christus: ‘Nimmer heeft Hij het kwaad met kwaad bestreden, maar alleen met het goede, alleen met redelijke middelen, alleen met den heiligenden invloed van Zijn persoon. En toen

[p. 292]

het kwade zich daardoor niet overwinnen liet, toen heeft Hij niet anders gedaan dan van dat goede nog meer geven, toen heeft Hij Zijn eigen persoon er zonder reserve voor over gehad.’ (Cursiveering van mij. - A.R.H.) Kon het banaler en gevoelloozer uitgedrukt worden? Maar geruststellend is het in hooge mate: Jezus hangt aan het kruis, en de onbedreigde burger leest bij zijn zingende ketel Casimir of Korff. ‘Zoo behoeven wij aan de bruiloft van ideaal en werkelijkheid toch niet te twijfelen,’ en iets verder, opdat aan de geruststelling vooral toch niets ontbreke: ‘Dat beteekent ook, dat de bruiloft van ideaal en werkelijkheid niet opslag in het groot is te realiseeren. Wie haar op een goeden dag zoo maar eens wil laten aanbreken, diens streven is reeds van tevoren tot mislukking gedoemd: slechts bij stukjes en beetjes vangt de bruiloft aan’.... maar waarom zou ik mijn lezers even wee maken als Dr. F.W.A. Korff het mij maakte. Het is genoeg geweest. Het is mijn gewoonte niet boeken te bespreken, en ik zou deze publieke afstraffing niet hebben toegediend, ware dit boekje niet een symptoom van een nare, onsmakelijke ziekte, die in het Holland der laatste jaren steeds veelvuldiger geconstateerd kan worden, en die, vrijwel onbestreden, voortwoekert. Al is het wel begrijpelijk, dat casimieren en korfjes, waar zij het kwaad ‘zulk een infecteerende kracht’ toekennen, ertoe komen, bijwijze van représaille, ook het goede te maken tot een soort alastrim, het is en blijft weerzinwekkend het goede zoozeer te zien beduimeld en gecompromitteerd, en een krachtige en durvende zonde wordt het àl te gemakkelijk gemaakt hierbij bekoorlijk af te steken. Zou de Duivel stiekem deze heeren helpen? Hij is er slim genoeg voor.

Goed en kwaad tenslotte daargelaten: in zulk een toon schrijft men niet over Shakespeare. Dat is, wat dit boekje aangaat, de hoofdzaak. Deze toon bewerkt een laf kleineeren van de grootheid, donker en licht, des lévens tot nut van het burgermansbestáán. Voor zulk een bedrijf zijn er schrijvers te over, die men gebruiken kan; maar laat men er Shakespeare niet voor misbruiken.

Een boek over Shakespeare kan een bezielde poging zijn enkele vrije, werkelijke menschen dichter bij hem te brengen. Door zulk een poging kan dat boek een goed boek zijn. Een

[p. 293]

boek over Shakespeare kan echter ook een poging zijn, Shakespeare, getemd en aan een zoet lijntje, dichter te brengen bij den voorzichtigen burgerman. Zulk een boek is, op zijn zachtst gezegd, een idioot boek; het boekje van Dr. F.W.A. Korff is zulk een boekje. Het had tot titel moeten hebben: ‘Shakespeare ontmand’.

De redactie van de Volksuniversiteitsbibliotheek, die dit boekje goedkeurde en deed verschijnen, telt 17 leden; 15 daarvan zijn professoren. Zou één enkele, bekwame litterator er niet nog bij kunnen? Zijn taak zou niet licht zijn.

 

A. Roland Holst

29‘Levensproblemen bij Shakespeare’ door Dr. F.W.A. Korff. (Volksuniversiteitsbibliotheek no. 47. Haarlem, De Erven Bohn. 1929.)
30Het is mij onbekend wie Prof. Casimir ‘de Suikeren Reus’ noemde, maar ik wensch dezen onbekende geluk met zijn vondst.