[p. 41]

Rose en geel

[p. 42]
Aan Jan van Nijlen
[p. 43]

De franctireurs

 
Geen Pennewip met brillende argus-ogen
 
hebben wij ooit één regel toegedacht.
 
Geen jongedames, die beheerst en zacht,
 
als door een rietje, van de lettren zogen.
 
 
 
Geen kenners die, waar zij nooit jokken mogen,
 
trouw prijzen wat vertrouwd is, langgeacht.
 
Geen vakmanswijsheid hebben wij betracht,
 
geen boekwinkeltriomfen overwogen.
 
 
 
Geen koster, hoe genaamd, hoe bijgepompt,
 
maakt onze maag afkerig van 't gekruide.
 
 
 
Geen levensles, geen preek, hoezeer vermomd,
 
geen ethica kan ièts voor ons beduiden.
 
 
 
De poëzie blijft, naakt en ongekromd,
 
een tijdverdrijf voor enkle fijne luiden.