E. du Perron
aan
J.J. Slauerhoff

Amersfoort, 28 augustus 1936

Amersfoort, Vrijdag

 

Beste Slau,

Als het dan werkelijk de part et d'autre zonder rancune is, laat mij dan op de punten (door Henny al aangekondigd!) van je nieuwe brief ingaan. Misschien zuivert dat de lucht nog wat meer, je kan nóóit weten.

Mijn correspondentie naar Bergen was onvriendschappelijk, zeg je. Inderdáád; maar ik was dan ook pisnijdig op je. En dat ik dat was, was het gevolg van jouw correspondentie, die ook allesbehalve vriendschappelijk was (zooals jij nu schijnt te veronderstellen). Je brieven waren vol verwijten en hatelijkheden, oude en nieuwe grieven, en als ik op een portie was ingegaan, kwam er een nieuwe portie. Misschien ken jij deze methode van jezelf niet, maar mij heb je er tureluursch mee gemaakt. - En afgescheiden daarvan, als je éénige kennis van jezelf hebt, zal je weten dat het meer in jouw aard dan in de mijne ligt om juist je vrienden te pesten; mocht dit je wonderlijk voorkomen, informeer daar dan eens naar bij al je vrienden. (Maar ik neem niet aan dat deze karaktertrek je onbekend zou zijn.) Mijn grootste fout was, dàt ik erop inging.

Je voornaamste grief schijnt echter nog steeds, dat ik zondigde tegen mijn eigen ‘woorden’. - ‘Een man een man, een woord een woord’, zeg je nu weer, en je haalt er zelfs de grootheid van Holland en Jan Oost bij; - zonder te bedenken dat het door voortdurend woordbreken tegen de inlanders was, dat onze Compagnieshelden zoo ‘groot’ zijn geworden, en dat baron de Kock op deze zelfde manier later Dipo Negoro wist ‘klein’ te krijgen. Maar best, laat ons geen historische beschouwingen houden! Het spreekwoord dat je citeert, slaat op verbroken beloften. Ik moet er dus misschien uit opmaken, dat ik jou nadeel berokkend heb, door iets wat ik je beloofd heb niet na te komen. Nu ik toch niet weg ben, wil je me niet precies opgeven wat ik je beloofd heb zonder het te doen? Ik zal dan probeeren dit nog goed te maken.

Is het daarentegen alleen iets tuscchen mij en mijzelf, waarover ik jou alleen maar gesproken heb, dat ik jou toevertrouwd heb, omdat jij mijn vriend was, dan lijkt het mij niet alleen onvriendschappelijk, maar menschelijk niet al te fair, om dàt tegen mij uit te spelen. Òf kinderachtig - als in het geval van dat perzisch leeren, dat jijzelf mij voortdurend hebt afgeraden, - òf eenvoudig laag, als het betreft diepere en pijnlijke dingen, waarbij ik misschien niet alleen mijzelf had te sparen. Of ben jij dan iemand die volstrekt alles doet wat hij zich weleens heeft voorgenomen, die nooit een centimeter van zijn plannen, impulsen, wat dan ook, is afgeweken? Ik meen zeker te zijn van niet, maar als je meent dat het wel zoo is, laat mij dan, als ze onwaardige, mij alleen maar buigen en jou gelukwenschen met een zoo ijzervast gemoed en karakter. Ik zal je zeker geen verwijten maken, ook al omdat geen haar van mijn hoofd er ooit aan gedacht heeft om een vriend zijn eigen verdeeldheden onder de neus te wrijven. De dingen die je op dat gebied met mij besproken mocht hebben - en hebt - kan ik alleen gedenken in de hoop dat alles zich voor jou op de meest bevredigende manier zal hebben opgelost, niet voor mij of een ander.

Hoe het zij, schrijf me nog even waar je eigenlijk op doelt, of wat jou nog zoo dwars zit. Nogmaals, als ik jou ergens mee heb tekort gedaan, zal ik het mijn plicht achten om dat mooie Hollandsche spreekwoord nog na te leven; vooral nù, omdat ik wegga.

Wat die ‘parel op de mesthoop’ (= waarheid in de H.P.) betreft, ik verschil ook hierin dan weer van jou, en dat brengt ook weer zijn voordeelen mee, want anders zou ik voortaan niets anders meer lezen dan prof. Casimir, die een mesthoop is, waar niets dan parels op te vinden zijn.

Dank voor je raad over de vaart. Maar op een duitsche boot willen wij niet; het wordt dus ‘toeristenklasse’ op een deensche of noorsche boot (East Asiatic of Wilhelm Wilhelmsen), tot Singapore; dat schijnt heel goed te zijn, en goedkoop. Wij hebben nu de keus, lijkt het, tusschen 7,10,13 October, 8 en 24 November, uit Marseille, maar wij moeten in Rotterdam de booten nog zien, wat nu over een paar dagen zal gebeuren. - Ik wacht nu dus op bericht van je voor ik je ‘nogmaals het beste’ wensch; tot-en-met 31 Aug. zijn wij hier.

E.

 

(Van 1-4 Sept. ben ik bij Ter Braak.)

 

Origineel:?

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie