E. du Perron
aan
E. Bouws

Brussel, 28 oktober 19307054

Brussel, Dinsdagmorgen.

 

Beste Everardus,

Dus ook jij bent niet tevreden over mijn Gesprek over Slau! Et tu, Brute! (en ik wou je het moois nogwel opdragen). Alleen de 2 Jannen - Greshoff en Van Nijlen - blijven mij dus trouw. Als Slau zelf er nu ook nog ontevreden over is, is het succes compleet.

Tant pis; ik laat de boel toch lekker zoo staan.* Nu ik toch de boel als brochure laat drukken kan ik mij ook de luxe permitteeren op en top ‘mijzelf te zijn’. - Zóó afgepast en verantwoord hoeft ieder woord in een Gesprek immers ook niet te zijn? Het is geen Studie; het is een Gesprek. En precies zooals ik in dit Gesprek sprak, zou ik in ieder gezelschap hebben kunnen spreken, dus - !

Ik antwoord nu op je bedenkingen, etc.

 

1. ‘Het is nauwkeurig wat ik verwachtte’. - Daar had je ook eenige gegevens voor. En des te beter voor mij.

2. ‘Waarom die uitvoerige seitenhieb naar Uyldert?’ - Omdat ik behoefte heb hem te zeggen dat hij een kletskous is. Omdat hij zich verstout heeft over Slau te schrijven als over een debutantje dat niet in ‘De Beweging’ heeft gestaan. - Idem, of ongeveer, voor Borel. Bovendien ‘verlevendigt’ dit alles het Gesprek.

3. ‘Waarom die ridiculiseering van Leopold en Van de Woestijne?’ - Ze zijn niet geridiculiseerd.

4. ‘Dat jij tegenover deze twee dichters anders staat dan Greshoff en ik, enz. is je goed recht.’ - Waarom dan niet dat publiekelijk te getuigen? (met of zonder ‘recht’. Wat is tenslotte in gevallen als deze, ‘recht’?)

5. Waarom de eenzijdige belichting en déze citaten uit de duizenden prachtige strofen? - Omdat ik fel eenzijdig wil zijn, tegenover de stupiede en ergerlijke eenzijdigheid van de bewonderaars van die ‘andere poëzie’ - de gave-en-verhevene! Gelijke wapens.

6. ‘Om het beeld van Slauerhoff te verscherpen?’ - Neen; of hoogstens bijwijze van contrast.

7. ‘Heeft hij het noodig om aan anderen te worden opgeheschen?’ - Op deze direct gestelde vraag zou ik natuurlijk moeten antwoorden: Neen. Maar als wij even doordenken, eigenlijk: Ja. D.w.z. niet Slau afzonderlijk beschouwd, maar beschouwd in verband met de in Holland heerschende vooroordeelen ten opzichte van al of niet ‘groote’ poëzie. Ik zou het nu zoo scherp mogelijk willen zeggen, en als er een polemiek van komt zàl ik het ook zoo scherp mogelijk zeggen; het gaat minder om Slau en Leopold als om de twee door hen vertegenwoordigde poëzieën. Jany schrijft dat ik, door Leopold als tegenpool van Slau te nemen, juist ben in wat betreft de oppositie van de soorten, maar falikant mis, ‘omdat ik een zooveel grooteren tegenpool heb gekozen dat hij Slau tot een bevroren regenplas maakt.’ Hierop antwoord mijn binnenste met een kreet: - Het is een verdomde leugen! - Zooals het een verdomde en stupide leugen is dat Rossetti ‘grooter’ zou zijn dan Baudelaire. Het is altijd de oude kwestie, die nu, naar aanleiding van mijn bewondering voor Slau, immers een tijdgenoot en van Jany's standpunt bezien een ‘coming-man’, extra erg uitkomt. - Zóó gezien is het dus volgens mij hoognoodig - niet om Slau aan die anderen op te hijschen, maar om hem, voor zoover mijn bescheiden krachten mij dat veroorloven, minstens naast die anderen te hijschen.* En laat de ‘grootheid’-specialisten maar lachen. Lachen alleen is misschien ook niet genoeg. Laten zij mij serieus aanvallen en in het publiek tot de orde roepen. Zoodra men vecht heeft men ongelijk, en het admetteeren van iedere waarheid ligt ook nog wel binnen mijn mogelijkheden, maar het exclusieve belichten van één soort ‘grootheid’ heeft mij nu al zoolang geërgerd, dat het mij nu lust voor deze zaak te strijden for all what I'm worth. Laten ze mij bewijzen dat de poëzie van Leopold ‘grooter’ is dan die van Slau, en Cheops een ‘grooter’ gedicht dan Dsjengis. Zoodra de ritueele stem en de hypnotiseurs-gebaren ophouden 80% van de illuzie te bewerken, tart ik een ieder om dat te doen. Mijn botsing in dezen met jany is - hoe meer ik erover nadenk - typisch een tijdsverschijnsel; dit nu scheidt onze generatie van de vorige, en mijn enthousiasme en grieven zouden eigenlijk die moeten zijn van Marsman (met zijn herhaalde sneers tegen ‘pre-rafaëlisme’7055, van Ter Braak, van alle jongeren, die wèrkelijk weerzin voelen tegenover een zekere ‘literatuur’. - Begrijp mij wel: het gaat er ditmaal nu eens om, niet om die andere schoonheid te begrijpen, en zelfs te ondergaan, maar om ronduit te bekennen voor welke schoonheid, voor welke toon men méér voelt.7056) De actueele, de nieuwe kant van Slau is de inzet (en de reden) van dit debat. Wil je nu een andere houding aannemen en alles van de sterren uit bekijken, zoo in de lijn van: ‘let op alle barden in Der Wereld Letterkunde’ - dan wordt ieder debat - en dus ook dit - ongewenscht en ongepast. Mijn moedwilligheid is dus dat ik de kwestie agressief scherp stel, maar die agressiviteit is veroorzaakt door het eeuwig voortbestaan van (laat ons voor het gemak zeggen: verouderde) vooroordeelen - en die heerschen aan den ànderen kant. Niet aan Rossetti, maar aan Baudelaire heeft de XXe-eeuwsche poëzie iets te danken, niet aan Yeats, maar aan Corbière-Rim-baud. En het begint mij nu den keel uit te hangen dat je direct allerlei gemoederen kwetst als je doodeenvoudige waarheden zegt als: Baudelaire is minstens zoo groot als Rossetti en Rimbaud als Yeats. Als je nu zegt (tot zoover bèn ik trouwens nog niet): Slauerhoff is een dichter van minstens even ‘groote’ stof als Leopold,* wordt alles natuurlijk aanmerkelijk erger. Hier komen 1000 bedenkingen bij van Ievenskunstigen en bijna maatschappelijken, althans hiërarchischen aard. Coster heeft een loodrechte val der poëzie geconstateerd na de generatie van Jany. Daartegen mag men zacht protesteeren. Maar als men zegt: ‘Meneer je lult, want Slauerhoff staat A. Roland Holst, Marsman is wschl. Nijhoff wel waard,7057 Donker is geen minder dichter dan Buning’ - dan schrikt men en komt het niet meer te pas. Ik zal toch zoo vrij zijn dergelijke dingen te zeggen als het ertoe komt. En let wel, deze eeuwige ‘grootheids’-vergelijkingen zijn de hobby van den anderen kant.

Over 5 of 6 jaar zeggen de voorzichtigen het mij na.

Ten slotte zeg je: ‘het is onjuist appreciaties als concreta voor te stellen.’ - Dat is zooals je het neemt. Mijn appreciatie staat tegenover die van mijn tegenspreker, maar Slau en Alie Smeding7058 (of Slau en Leopold) zijn concreta. Dat die concreta andere appreciaties oproepen maakt ze opzichzelf niet minder concreet. Terwijl het allesbehalve concreet zou zijn als ik sprak van het nieuwe romantisme en bijv. de wierook-verhevenheid. Misschien is het woord concreta hier ook niet heelemaal juist, maar je begrijpt nu wat ik bedoel. - Kan je mij die fl.25. voorschieten tot je hier komt? Ik hoef je het geld dan niet over de post te zenden. Ja, die Holl. advocaten zijn heel wat duurder dan de Belgische, dat is zeker. Maar enfin, dank zij jou heeft het me in ieder geval een reis heen-en-terug met logeerkosten en eterij uitgespaard! - Het rapport van dien meneer Dun7059 is overigens... magertjes; laat ons zeggen dat het den naam van de firma alle eer aandeed. Hij doet ‘Herrebet’ onrecht: die is interessanter dan dàt.

Het stuk van Kelk7060 las ik.

Annie Salomons7061 is een ‘aardige’ vrouw...

Tot ziens, al dan niet met Darja. Dat blijft dus afgesproken.

Steeds je

Ed

 

Geef mij dezen brief terug, althans voor eenigen tijd, ik heb er dingen in geformuleerd, ook voor mijzelf, die mij te pas kunnen komen in een mogelijk a.s. polemiek.

 

P.S. - Over Goethe en Yuan Sjen7062 mondeling. Dat is een minder nijpende kwestie.

 

7063B.B. Hierbij den brief terug, dien ik gewijzigd overnam.

 

7064Als Gr. je niet ziet doet hij dezen brief in Rotterdam op de bus.

7054DP nam deze brief tot de alinea, die begint met ‘Ten slotte zeg je:’ in november 1930 enigszins bewerkt op in een nawoord bij zijn ‘Gesprek over Slauerhoff’ in Tegenonderzoek, p. 84-89 (sterk bekort in Vw 2, p. 263-266).
*Behoudens dan de reeds gemaakte wijzigingen, waarover ik je schreef.
*Altijd beschouwd vanuit een standpunt van critisch commentaar! Soyons prudents.
7055In zijn artikel ‘Over De Afspraak van Roland Holst’ in DVB 4 (1927) 5 (mei), p. 156-160, noemde Marsman op p. 158 dit proza van de narcistische kant ‘een prae-rafaëlitisch narcoticum’ en in zijn opstel ‘Coster en wij (naar aanleiding van den derden druk van Nieuwe geluiden)’ in DVB 5 (1928) 2 (februari), p. 33-36, schreef hij op p. 34: ‘De moderne poëzie moet elke renaissancistische en prae-rafaelitische schijn-schoonheid, en wezenlooze schijn-geheimzinnigheid verliezen voor een onmiddellijke onschoon heid.....
7056Voor de twee evenveel is onmogelijk!
*Welke dan ook zijn verdere ontwikkeling moge zijn -
7057Die chronologisch en zelfs poëtisch bij òns hoort, maar maatschappelijk-hiërarchisch zich bij de andere partij heeft aangesloten!
7058In de tweede lezing van het gesprek is de vergelijking Slauerhoff-Smeding geschrapt, zie Brieven II, p. 322; DP's kwalificatie van Smeding bleef.
7059Firma R.G. Dun & Co., Informatiën-Incasso's, te Den Haag heeft mogelijk een rapport over Herbert Philippeau uitgebracht, vgl. Brieven II, p. 286 en 323.
7060‘E. du Perron, prozaïst en dichter’ in DVB 7 (1930) 10 (oktober), p. 291-295.
7061Annie Salomons publiceerde in september 1930 Verhalen uit het Verre Oosten.
7062J. Slauerhoff, ‘Po Sju I en Yuan Sjen bij de Yang Tse Kiang’, novelle uit Het lente-eiland (Kau-Lung-Seu), Brussel enz.: Stols 1930, p. 31-46 (Luchtkasteelen: 3).
7063Later boven de aanhef geschreven.
7064Dwars op de achterzijde van de brief geschreven.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie