E. du Perron
aan
G. Stuiveling

Bergen, 3 april 1940

Nesdijk 19, Bergen (N.H.)
3 April 1940.

 

Beste Stuiveling,

Ik heb hier in Bergen al 3 inteekenaren op de Mult.-uitgave gevonden. Het kan best heel goed gaan! Ik wacht met spanning op de volgende stappen.

Maar dit keer schrijf ik je om iets anders:

Ingesloten een gedicht van dien Willem van Hogendorp, dat ik nog achter de Deducties van O.Z. v. Haren vond.6900 Ik vind het nogal grappig, Jany heeft er erg om gelachten, en het geeft weer een ander kantje van hem. Alleen dat woord ‘poepen’ is vervelend, maar niet onoverkomelijk, lijkt me. Kan vervangen worden door ‘p...’, of p -’, of ‘-’.

Achter zijn Verdediging vond ik een gedrukte lezing (een beetje anders dan die van het ms. dat ik afschreef) van het gedicht waarin hij zijn deïsme verklaart.6901 Aan dien dominee Superville; je weet het misschien nog? Die blijkt ‘predikant der Walsche gemeente te Rotterdam’ te zijn geweest, en het gedicht is van vóór 1762, dus van lang vóór zijn vertrek naar Indië.

Ik wou dus het gedicht op Betje erbij doen (in de bijlagen) en het andere dateeren en er direct op laten volgen. Dit heeft ook het voordeel dat er nog een hollandsch vers bij komt, tusschen al het fransch. Als je er vóór bent (Menno vindt het allang prachtig!) meld me dan nog even hoe ik volgens jou het gevoeglijkst kan omspringen met dien huiselijken term van het laatste rijmwoord.

Hartelijk gegroet door je

EduP.

 

Graag spoedig terug met het oog op de proeven.

6900Satyrisch vers, ‘Haar tanden, wyde mont en opgespalkte kaeken’, dat Willem van Hogendorp schreef op zijn aanstaande schoonzuster Betje van Haren. DP gaf, mede op advies van Stuiveling, ‘poepen’ als ‘p-pen’ weer. Het gedicht is opgenomen als bijlage I achter Onno Zwier van Haren, Deductie voor J' Onno Zwier van Haren (...). (Z. pl. 1761); zie DP, Een lettré (enz.), p. 28 (‘Van Kraspoekol tot Saïdjah’ in Vw 7, p. 219).
6901‘Sage et pieux Docteur, éloquent Superville’ in Willem van Hogendorp, Verdediging van Mr Wilhem van Hogendorp (...). Rotterdam 1762, p. 17-18; zie DP, Een lettré (enz.) p. 28-29 (‘Van Kraspoekol tot Saïdjah’ in Vw 7, p. 220-221).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie