E. du Perron
aan
H.A. Ett

Den Haag, 13 december 1939

Den Haag, 13 Dec. '39.

 

Zeer geachte heer Ett,

In antwoord op mijn vraag aan den heer De Hart betreffende de door u genoemde verzameling van De Br. Prince, krijg ik daarnet een briefkaart dat deze verzameling sinds Maart bij u is en nu werd teruggevraagd. Dit is een vervelend geval voor mij; temeer waar ù mij nu op deze bescheiden wees. Eenerzijds is het niet meer dan billijk dat ik ze ook inzie, waar ze tot het Mult. museum behooren, anderzijds wordt dit nu zoo'n beetje ‘u van een ontdekking berooven,’ - een ontdekking die ik overigens niet doen kòn, omdat u die papieren onder u had. Ik verklaar mij niet goed waarom u deze papieren mee naar huis kreeg, ter bestudeering en bewerking, waar ik alles in het museum-zelf heb moeten doen. Verder heeft noch de heer De Bijll noch de heer De Hart mij op deze verzameling attent gemaakt, terwijl zij toch wisten dat ik mij voor deze Lebak-zaak speciaal interesseerde, en dat het museum ook nog deze verzameling bezat. Wschl. is de aanwezigheid van die verzameling hun ontschoten, omdat die niet in het museum was. (Dit hoewel ik den heer De Hart toch gevraagd heb of er geen papieren ontbraken.)

Het lijkt mij nu wel noodzakelijk dat u en ik de zaak even bespreken. Zou u mij dus omgaand even kunnen opgeven wanneer ik u Vrijdag, en zoonoodig Zaterdagochtend (maar liefst Vrijdag), ontmoeten kan. Misschien hèbt u mij al geschreven en krijg ik uw brief morgen met de eerste post. In dat geval houd ik mij aan de afspraak die u in dien brief maakt.

Met vriendelijke groeten, uw dw.

EduPerron

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie