E. du Perron
aan
H. Marsman

Garoet, 3 december 1937

Garoet, 3 Dec. '37.

 

B.H. - Ik vergat nog te antwoorden op je vraag betreff. dat voorwoord voor J.F. Neen, ik vind dat je die truc niet gebruiken kan, en bovenal, waarom moet Lubbes op die halve en subtiele manier worden ingelicht? hij begrijpt het toch niet. Zij die het ‘voelen’ beseffen heusch wel hoe 't in elkaar zit met die autobiogr. stukken, zij die het niet ‘voelen’ vinden 't alleen maar raar en ongepast. Liever Zelfportret van J.F. dan De Vriend van mijn Jeugd met zoo'n praatje. En noem dien man dan maar J.F., niet Fontein of Furkins of Freiling of Falck of wat ook. Moet hij af en toe bij zijn voornaam toegesproken worden, hiet hem dan niet Jacques, maar Joris. (Dat is een mooie, èn christelijke èn hollandsche naam, zoo heet Ivens ook.) Nièt Jezus!

Eig. is in het complete ‘2e deel’ de titel Zelfportret van J.F. niet kwaad, en dan hoef je ook niet meer te verwijzen naar Gr. Ned. en naar je Gorter en van veranderde titels te gewagen, enz.5106 Voor mij heet het ding al niet anders meer, en het voordeel van ongezochtheid is ook een hoop waard.

Voilà. Amen Tot later. Je

E.

5106Vgl. de passage p. 28-31 van H. Marsman, Herman Gorter, Aanteekeningen bij zijn poëzie (Amsterdam 1937), waarin Marsman beschrijft hoe hij gegrepen werd door de lectuur van Gorters Mei. Deze passage, die niet voorkomt in H. Marsman, ‘Herman Gorter, Aanteekeningen bij zijn poëzie’ in De gids 101 (1937) 1 (januari), p. 44-79, is wel opgenomen in H. Marsman, ‘Zelfportret van J.F.’ in H. Marsman, Verzameld werk II, Proza, p. 239-241 en in H. Marsman, ‘H. Gorter’ in H. Marsman, Verzameld werk IV, Critisch proza II (Amsterdam 1947), p. 33-34. In Herman Gorter, p. 31 en in Verzameld werk IV, p. 34 staat als noot vermeld: ‘Overgenomen uit “Zelfportret van J.F.”’,
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie