E. du Perron
aan
H. Samkalden

Garoet, 20 oktober 1937

Garoet, 20 Oct. '37.

Beste Hugo,

Je hebt gelijk: ik ben een kreng, dat ik niet genoeg in aanmerking neem hoe druk je 't hebben kunt. In ieder geval dank voor brief en boek, en bij voorbaat nu al voor de inlichting over de ‘bijltjes’. Ik had graag die Mul-discussie mee helpen afwikkelen! Tusschen haakjes, ik sprak eens met Romein en zijn vrouw over M., en ofschoon we er maar een paar zinnetjes aan gewijd hebben, was hun heele houding zuiver. Wat Romein trouwens over hem zegt in de Lage Landen is - voor een halve bladzij - uitnemend. Maar Romein is een marxist die al groot genoeg is om zich een zekere soepelheid te permitteeren, ook tegenover ‘politici zonder partij’, zooals M. essentieel was. Dan kan je praten. Met kleine kampioenen voor marxistische verstarring kan je alleen ‘moeren’; met dien verstande dat de verstarde man uitgemoerd verdient te worden. Zwijgen of moeren, praten is daar onmogelijk. Een klachtenlijstje over alles wat M. niet geweest is volgens voorschrift van, niet ‘begrepen’ heeft van de geschriften door ‘Karel’ Marx, is doodgewoon imbeciel. Laten ze zulke methodetjes op Casimir of Jan Ligthart toepassen, of op de begaafde kwee Van Eeden, voor mijn part. - De Onzekeren, verh. I schiet nu geweldig op, al wordt mij iederen morgen een goed uur slaap ontroofd door 't Alijntje. Wat een pest dat het zóó warm is op Batavia. Je maakt me bang, in het bijzonder voor Bep. - Benieuwd naar je artikel; over een tijdje schrijf ik wel weer. Een student, Gomperts, schreef in Propria Cures4958 uitnemend over Ter Braak. Wil je 't lezen? Ik zend je spoedig G.N. ook. Hart. gr. van je

EdP.

4958H.A. Gomperts, ‘Menno ter Braak en Uzzeltje’. In Propria cures van 18 augustus 1937. Over M. ter Braak, Van oude en nieuwe christenen. Rotterdam 1937.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie