E. du Perron
aan
H. Marsman

Parijs, 18 april 1935

Parijs, 18 April.

 

Beste Henny,

Ik merk dat je me het adres van Van Leeuwen al gegeven hebt en dat je zelfs bij hem logeert. Ik zend hem dus die Vlinder-historie gelijk hiermee retour; het ding lijkt mij, bij naproeven, steeds bazaar-achtiger en ik ben er bepaald tegen het op te nemen, vooral als we van Slau Po Sju I, enz. nemen. Het ziet er dan wel naar uit of wij niet weten te onderscheiden onder de chineesche verf!

Ik lees met plezier Chateaubriand, waar uitstekende stukken in staan: zijn presentatie aan het hof, de Revolutie. Het is alleen jammer dat er zooveel in gelogen schijnt te zijn, dat een groot deel van zijn reizen in Amerika gelogen is (blijkens latere onderzoekingen), dat hij nooit bij de Niagara is geweest die hij zoo gevoelvol beschrijft, enz. Pas op voor deze ‘Dichtung’ bij Vreede! anders zend ik je het boek maar niet...

Slau en ik schrijven elkaar giftige brieven, en wat de ware reden is van mijn teleurstelling zal ik je nog wel eens precies uitleggen. Zijn irritante kanten waren voor mij altijd verdragelijk zoolang ik hem ± gelijkstelde met zijn literatuur. Maar als de ‘grootsche’ literatuur het compensatiemiddel is, en zelfs vrijbrief wordt om zich ‘in het leven’ als een kleinzielige dorpsidioot te gedragen, dan wordt het voor mij de komedie waar ik het minst tegen kan. De avonturiers van Slau zijn, ook als zij ‘kapot’ zijn, nooit pietluttig en klein, hijzelf.... helaas! En dan altijd die superioriteit om het ‘leven’ boven de ‘literatuur’ te stellen, anderzijds, die halfgare leukigheden van den piraat aan het biljard. Ik heb deze keer opeens geen lust meer om het verder te gelooven, hoe verstoord hij daarover ook worden kan. Bovendien is het een onaangenaam gevoel als je van een vriend niet meer zeker bent of het alleen zijn dorpsidiotenkant is die maakt dat hij alles zoo ‘destructief verwart’, of dat hij toch een kleine knoeier is en bewust liegt. Hij vertoont een plezier van telkens derden in zijn ongenoegens te betrekken en mee te trekken (Menno, Vestdijk en ik tegen Vic, Jany tegen Menno, Greshoff tegen Menno, vandaag of morgen Jany tegen mij) die mij soms erger voorkomt dan alleen maar lullig. En toch houd ik ergens een zwak voor hem, omdat hij, bij al dit gemodder, werkelijk ergens een maanbewoner blijft!

Ik streef er naar om niet minder te zijn dan mijn literatuur; ik zou die literatuur zoonoodig op mijn peil terughalen, als ik geloofde dat de eerlijkheid dat gebood. Menno is precies zoo, en wat hij tegen den dichter heeft (je weet hoe ik het er niet mee eens ben, in het algemeen) is eigenlijk precies wat ik nu tegen Slau heb. Ik zou Slau hooger stellen als hij wat minder ‘heldhaftig’ en ‘grootsch’ was in zijn literatuur, om in dat zoo opgevijzelde ‘leven’ wat eerlijker en bewuster te zijn. Je zei vroeger dat ik mijzelf te kort deed (in mijn Name-nootjes, Reinald Godiussen en zoo), en je had kunnen zeggen dat die tekortdoenerij eigenlijk toch ook op zelfverheffing neerkwam: van mijzelf dan ten koste van mijn literatuur - maar dan is dat toch nog een gecompliceerder vorm die vroeger of later naar een juistere waardebepaling voert. In Ducroo is het evenwicht, geloof ik, wel gevonden. - Ik ploeter nu nog aan de laatste proeven, terwijl 400 blzn. al zijn afgedrukt. De indeeling is: 305 blzn. ‘mémoires’, uit Indië en Europa; 85 blzn. ‘gesprekken’; 95 blzn. rotzooi door geldzorgen en politiek. Soms denk ik met trots: Querido beseft niet wat voor een boek hij daar uitgeeft, enz., - maar gisteren, bij het overlezen van de afgedrukte vellen, had ik, ongelogen, het gevoel dat ik te maken had met een verzameling praatjes en anecdotes zonder het minste belang, en waarvan een behoorlijk mensch zich afvraagt hoe het mogelijk is dat iemand de behoefte heeft gehad dat alles op papier te zetten! Natuurlijk is het vermoeidheid en ‘sleur’; maar het geeft mij toch ook een helder beeld van hoe een ander (die werkelijk totaal ‘een ander’ is) tegenover deze lectuur kan staan: de Kuyle's, Coolens en Lasten, en godbetere't, misschien ook jij! Spaar me toch vooral niet, als je merkt dat het zoo is, en zoek de schuld niet bij jezelf uit vriendschap voor mij, want het is duidelijk dat dit boek pakt of niet, juist als het in zijn soort goed is.

Wat zou het zijn, als ik de meneer was die vele gangsters en groote politici gekend had!

Bep en bijvoegseltje maken het allebei uitstekend en komen morgen thuis. Ik blijf moe en gedegouteerd van Fermina. Ben je al bezig je Immoralist te verkennen? Hoe voelen jullie je nu, en rust mijn goede Rina uit? Schrijf eens wat, over wat jullie bezighoudt, over hoe het in Delden (O.) is, etc. Jan Engelman schreef me vanmorgen gelukwenschen en eindigde met voor jou ook een ‘laat zoontje’ te verlangen, speciaal voor jou, omdat het je zoo'n goed zou doen! Deze groote vrouwendwinger heeft blijkbaar de aangenaamste herinneringen behouden aan zijn vierdubbel vaderschap; bravo, bravo! ik vind het al even sympathiek van hem als toen hij bleek ‘gonorrhoe’ niet te kunnen spellen. (‘Wij, voor wie alle vrouwen bezwijken, hebben toch liefgemeubelde kamers in ons!’3673)

Denk eens na, jij - diejezelf ook op dichterdroomen kunt onthalen, maar die de eerlijkheid zelf bent - of er niet ook iets goeds steekt in Menno's afkeer van ‘compensatie-literatuur’, van ‘l'art de ne pas s'engager envers ce qu'on écrit’. Malraux, die 10 × meer ‘avonturier’ is dan Slau, en wschl. ook nog een flink stuk meer ‘talent’ heeft, is in hooge mate trouw aan wat hij schrijft; de jalouzie die Slau dus o.a. manifesteerde voor mijn bewondering-voor-Malraux was volkomen belachelijk. Ik zie de fouten van Malraux ook heel goed (zouden wij die niet altijd zien, ha! ha! van elkaar?), maar het geheel is werkelijk een van de bewonderenswaardigste menschen, die je je als vriend wenschen kan. Ik ben erop gesteld jou met hem samen te brengen, als je hier komt; ik ben ervan overtuigd dat het héél goed zal gaan tusschen jou en hem. Zoowel hij als Clara weten nu trouwens zoo langzamerhand uitvoerig wie je bent; dus je komt dan toch op vertrouwd terrein, en niet alleen als schrijvers uit diverse kontrijen tegenover elkaar.

Ik heb lust naar Bretagne te gaan om na Ducroo een io dagen ècht te rusten, of naar Holland (maar dan komt er van rust natuurlijk niets terecht!) - en het einde zal zijn dat alles wordt uitgesteld. Jany zegt dat hij binnenkort hierheen komt. Ik heb naar Indië geschreven, aan mijn ouden chef aan de Bibliotheek daar,3674 om voor mij te blijven uitzien; het einde zal toch een ‘baan’ moeten zijn, en wie weet welke mogelijkheden Indiëjuist voor mij reserveert, vooral na Ducroo! De geboorte van het knaapje schroeft mijn ‘verantwoordelijkheidsgevoel’ toch weer wat aan; hier blijven moet tenslotte toch mislukken; Holland is voor Bep en mij het ergste van alles, en veel erger dan Indië. Voel je er niet voor om met ons mee naar Indië te gaan? Misschien richten wij er nog eens The New Criterion op van de Malay Archipelago!3675 en Rien en Bep kunnen krachtig meedoen.

Hartelijk steeds je

E.

 

P.S. - Iedere pen waarmee ik schrijf zit me tegenwoordig lullig in de vingers; kan je niet ergens een oude vulpen voor me opduiken, die opeens mijn pen blijkt te zijn? Het eerste wat ik ermee schreef zou een lofdicht op je zijn!

 

Ik doe hier een portretje bij dat mijn onderbuurman van me maakte, en dat iedereen te ‘jong en mooi’ vindt...

3673Citaat uit een brief van Engelman.
3674P. Gediking, die als bibliothecaris van het Bataviaasch Genootschap opgevolgd was door A.J. Bernet Kempers.
3675Toespeling op The criterion (1922-1939) van T.S. Eliot.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie