E. du Perron
aan
A. van Schendel-de Boers

Parijs, 15 november 1934

Parijs, 15 November.

 

Lieve Annie,

Dank je voor je schrijven. Bep zal hier nog wat onder zetten; ik maak het ditmaal kort. Het perzisch is nl. begonnen, maar kost mij veel hoofdbreken, d.w.z. de taal zelf is bizonder aantrekkelijk, maar het arabische schrift (een soort stenografie met 32 teekens die ieder 4 × kunnen veranderen, naargelang van de plaats waar ze staan, en waarvan verscheidene in iederen vorm weer vrij gecompliceerd zijn) werkt fnuikend. Ik ben nu opeens bang geworden dat mijn arme hoofd dit niet allemaal tegelijk opzuigen kan en daarnaast nog iets behoorlijks ‘van zich geven’ in romanvorm. En mijn boek moet nu toch spoedig af, met het oog op Querido, en ook op mijzelf, want het zal mij zoo langzamerhand een opluchting zijn als ook dat boek tot mijn verleden behoort! - Ik heb tot op het perzisch 100 blzn. gelezen (¼ dus) van het boek van Arthur.3445 Zoo bij elkaar ‘doen’ deze verhalen het veel beter dan in een tijdschrift; ze hebben een eigenaardige sfeer, maar die is gaver en sterker als het eene verhaal het andere aanvult. En toch zijn ze erg gevarieerd. Ik vind het verhaal van de Khan erg mooi (komt dat door het perzisch? maar het was er nog vóór!) en verder ‘De Schilder en het Allermooiste’ dat ongelooflijk goed is geschreven. Dan van den ‘Gauwdief en het Ideaal’, dat onbetaalbare draaien heeft in de manier van vertellen.

Schrijf ons eens gauw wat uit Brussel; of het daar mee valt en zoo. Het moet voor de Greshoffs wel prettig zijn jullie zoo vlak bij zich te hebben. Ik verlang erg naar Bellevue terug soms, waar ik heel wat beter werkte, ondanks de tegenslagen, dan in Parijs. Als het met het perzisch te moeilijk wordt, stel ik het voorloopig uit en ga 3 weken naar Saint-Brieuc, waar ik ook goed gewerkt heb, om daar dat boek zoo ver mogelijk naar het einde te brengen. Hier word ik telkens weer door iets afgeleid, en ofschoon ik niet eens veel doe, ik heb voortdurend het gevoel dat ik de handen vol heb en gejaagd word. Als dat boek maar van mij af is, zal dat wel anders worden, neem ik aan.

Nu, dit is toch nog flink lang geworden! Ik had ook nog naar jou mogen vragen, maar dat moet Bep nog doen, en bovendien kregen we van Jan goede berichten. En hoe stelt het de grootmeester met het roode strikje?

Ik eindig; met hartelijke hand voor jullie beiden van

Eddy

en hier is vrouw Bep:

 

Lieve Annie,

Hartelijk dank voor je lieve brief. Wij hebben een nare zomer achter de rug, en komen pas langzamerhand weer in het gareel. Ik ben erg blij dat we zulke goede berichten over je hebben gekregen, en hoop erg dat jullie je in Brussel thuis zult voelen. Jan leek erg tevreden over jullie flat. Komen jullie toch nog een paar dagen naar Parijs om boeken op te halen of zoo? We zouden jullie dolgraag in Brussel opzoeken, maar voorloopig ziet het er niet uit of we die kant op hoeven.

Ook ik bedank den Grootmeester zeer voor de Domme Jongen, Eddy leest me er soms uit voor; hij heeft nu minder tijd dan ik en heeft zich op het regiem van één verhaal 's ochtends en één 's avonds beide in bed, gesteld. Maar ik betrap hem soms ook op het lezen ervan in zijn bad (Hij kan dat zonder het boek nat te maken; al de rest in de badkamer wel nat).

Ik blijf maar hopen op een spoedig weerzien. Maken Kenny en Sjeu het goed? Heel veel liefs van

Bep

3445Herinneringen van een dommen jongen.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie