E. du Perron
aan
F.E.A. Batten

Bellevue, 21 april 1933

Bellevue, Vrijdag.

 

Beste Freddy,

Ik heb het verhaal van Couperus ‘met plezier’ en geboeid gelezen, maar kan het op geen stukken na zoo bewonderen als jij. De psychologie van dezen Max, die half een pooier wordt, is èn oppervlakkig-traditioneel, èn voortdurend valsch. Allerlei stukjes zijn van den ‘levensgenieter te Nice’ mijnheer Couperus en zouden nooit door mijnheer Max geschreven hebben kunnen zijn. En dan die kinderachtige opmerkingen over verwantschap met ‘féline’ pooiers en haat tegen ‘logge’ bourgeois - neen, ik ben er niet jong genoeg meer voor om het te ‘gobeeren’ (met een Couperus-woord), ik vind het erg fin-de-scièle-flauwekullig, als je het mij vergeeft. Larbaud en Tinan zijn niet 2 of 3 ×, maar 50 × zoo goed als dit; want het is even rijk aan deze sfeer, als je die zoekt, èn het is niet, als hier, goedkoop en valsch. Hoe de charme van Couperus nog werkt, is mij soms een raadsel. Als hij spreekt van artilleristen die getroubleerd worden door gecambreerde wassen borsten, van spasme, en van een regret achterlaten, wordt het mij wel erg wee bij dien naar lotion stinkenden Hagenaar.

Het is tòch een groot schrijver, maar wat jij blijkbaar nog heelemaal au sérieux neemt, werkt mij soms danig op de zenuwen, zonder dat het dessert met rozijnen en vla in het spel hoeft te komen.

Jij denkt in dit verhaal een soort Barnabooth te hebben ontdekt; ik lees het geboeid als een beter leestrommelverhaal. Het is wel erg ondankbaar van me, dat spreek ik niet tegen. Je hebt je zoo uitgesloofd.

Hart. groeten, ook aan Rudie, van je

EdP.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie