E. du Perron
aan
R.A.J. van Lier

Bellevue, 19 april 1933

Bellevue, Woensdag.

 

Beste Rudie,

Ik doe nog even een paar regels voor je in dezelfde enveloppe, omdat ik in mijn brief aan F. misschien niet voldoende antwoordde.

Je hebt volkomen gelijk in het verschil tusschen Parlando en een groot deel van P. tot Afst. Maar het komt mij voor dat je dit laatste vnl. uit de lezing in Mikrochaos kent - althans onthouden hebt; je citeert: ‘Clary, er waren eens, enz.’2684, maar in P. tot Afst. ontbrak de naam Clary! Je hebt trouwens hierin nogmaals gelijk, want alles wat ikzelf nog (min of meer) als poëzie erken uit P. tot Afst. heb ik, en meestal verbeterd, opgenomen in Mikrochaos. - Freddy denkt dat ik die ‘jeugdpoëzie’ verloochen en zoomeer, niets is minder waar. Maar mijn indeeling van later was ongetwijfeld juister. Er zijn auteurs die onkritisch tegenover hun eigen werk staan; terwijl het van mij juist nogal kenmerkend is, geloof ik, dat ik mezelf nogal ‘door’ heb. Al het proza uit P. tot Afst., dat mij nog goed leek, heb ik verwerkt in de nieuwe druk van B.G. aan E., waar het eigenlijk altijd had moeten staan. (Paul van Ostaijen zei me dat al bij de verschijning van Kwartier per Dag: ‘je reisaanteekeningen zijn niet slecht, maar je had er iets anders van moeten maken, een roman of een verhaal.’)

Toen ik op die onderscheiding proza of poëzie inging, dacht ik dat je opmerking sloeg op al mijn poëzie, niet op P. tot Afst. alleen. Het doet er trouwens niet toe, want ook nu is de kwestie natuurlijk nog lang niet uitgeput. Ik geloof nl. dat alles in proza gezegd kan worden, ook de allerzuiverste ‘poëzie’ (wezen). Daarentegen heb je misschien gelijk dat niet alles in poëzie gezegd kan worden - als ‘poëzie’ tenminste. De scheldballaden van Tailhade zijn in meesterlijke verzen, maar natuurlijk in wezen zeer ver verwijderd van ‘poëzie’. Terwijl het vreemdste verhaal van Edgar Poe nog vol ‘poëzie’ zit; eenvoudig omdat het proza van Poe - dat geen poëtisch proza is, versta mij wel! - altijd gedrenkt is in een sfeer van ‘poëzie’ die uniek en de zijne is. Evenzoo het proza van Van Schendel, dat toch als proza ongeveer het beste is uit onze heele literatuur.

Je vraag waar de grens ligt, is niet zoomaar een-twee-drie beantwoord. Vandaar de lange discussie die noodig zou zijn. Voor Binnendijk en voor Anthonie Donker is de vraag natuurlijk allang opgelost: poëzie is iets dat zij als zoodanig erkennen, d.w.z. mooi vinden, en daarvoor vinden zij achteraf dan wel een paar theoretische zinnetjes die heel aardig klinken.

Ik ben het verder natuurlijk gloeiend met je eens, dat deze kwestie hoogstens aardig is op zichzelf. Of Nietzsche een dichter is, een prozaschrijver of een philosoof, is van geen enkel belang, du moment dat hij Nietzsche voor ons werd.

Hartelijke groeten van je

EdP.

2684Beginregel van het gedicht ‘Reisverhaal’ (Vw 1, p. 18), gewijzigde versie van gedicht V uit de rubriek ‘Kwartier per dag’ in Poging tot afstand, p. 20, dat uit vier strofen bestaat en begint met ‘Johanna, daar waren eens twee ergjonge mannen’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie