E. du Perron
aan
E. Bouws

Brussel 17 juni 1931

Brussel, Woensdag.

 

Beste Bouws,1873

Vanavond komt Van Wessem hier; morgen en/overmogen ga ik hoogstwschl. met hem naar Gistoux, Zaterdag denk ik weer hier te zijn, en dan wschl. voor een tijdje. Ik ben benieuwd wat Van W. over die redactievergaderingen vertellen zal. Je vraagt me wat ik ervan denk; ik moet wel zeggen: ‘zoo goed als niets’ - want ik was er niet bij en kan me dus geen enkel idee vormen van hoe het er is toegegaan. Ik heb Marsman geschreven om hem te vragen waarom je er zoo geheel uit werd gelaten,* terwijl je toch voor deze reorganisatie het meeste hebt gedaan. Ik denk dat de reden zal schuilen in je ‘literaire onbekendheid’; voor Menno en mij, die je kennen, is zooiets van geen gewicht, maar voor de anderen wschl. wel. Het eenige wat ik je dus kan zeggen is dat ik persoonlijk het betreuren zou als je er niet in kwam, en dat, als het van mij afhangt, je direct in mijn plaats in functie mag treden - maar ik denk dat de brief van Zijlstra van meer gewicht zal zijn dan een dergelijk voorstel, hoe volkomen welgemeend dan ook, want ik zweer je dat jij of ik, zuiver redactioneel gesproken, mij ganz egal is, met zelfs een bepaalde voorkeur voor jou. Ergo ... Ik schreef Marsman verder dat ik Vic, in dit verband, ook minder gewenscht vond dan Slau, ofschoon die een 10× slechter ‘redacteur’ zal zijn, maar dat Vic eigenlijk het stempel van dit nieuwe blad (het orgaan der ‘jongeren’) een beetje bederft, niet alleen omdat hij 7 jaar ouder is - dat is Van Wessem ook - maar omdat ook zijn stijl en streven niet dat der ‘jongeren’ is. Maar tenslotte vind ik alles best, vooral wanneer er over en om plaatsjes moet worden gekibbeld. Het gekke is alleen dat noch Menno noch Marsman mij iets bepaalds over die vergaderingen hebben geschreven, eig. niets dan de voorgenomen redactie, waarin ik inderdaad met verwondering je afwezigheid constateerde. Wat zegt Menno ervan? je zult met hem deze zaak toch wel uitvoerig hebben besproken? Ik ben er zeker van dat men geen betere redacteur-secretaris zou kunnen vinden, en Menno is natuurlijk geheel van hetzelfde gevoelen; maar Marsman en de anderen kennen je tenslotte niet dan van een paar ontmoetingen en je ‘onliteraire naam’ zal voor hen wel het voornaamste bezwaar zijn geweest, stel ik mij voor. Schrijf me eens wat de brief van Zijlstra heeft uitgewerkt.

Ik heb Otten maar niet meer geantwoord op die briefkaart. Je wilt hem bij gelegenheid misschien wel voor mij bedanken. Zeg maar zooiets van dat ik een epistolaire verlamming doormaak; ik heb vrijwel in niets lust dan in wat lezen en wandelen. Het is soms ook zoo helsch warm.

Ingesloten een paar foto's, die ik je den vorigen keer al had willen zenden. Mooi zijn ze niet, maar het echtpaar1874 staat er lief op. De Marsmans zijn vast van plan in Aug. in Bon Acceuil te komen logeeren (Slau is dan misschien bij ons), Menno en Truida komen 11 Juli. Wat doe jij? Wanneer is je vacantie? Laat hooren wat precies je plannen zijn.

Hart. gr. van je

E.

1873E. Bouws (*1900) had DP al een jaar eerder leren kennen, vmdl. via hun wederzijdse vriend Slauerhoff. Bouws, intimus van D. Zijlstra, directeur van Nijgh & Van Ditmar, was al lang bezig met plannen om een nieuw literair tijdschrift op te richten, waarbij DP ook betrokken zou worden. In deze fase hadden de plannen de vorm aangenomen van een reorganisatie van DVB, uit te geven door Nijgh & van Ditmar.
Er zijn eerder brieven door DP aan Bouws geschreven; volgens ontvanger zijn die zoek geraakt toen hij ze in de zestiger jaren had uitgeleend aan een kandidatenwerkgroep Neerlandici van de Universiteit van Amsterdam. Copieën van enkele van deze brieven, die hij eerder verstrekt had, zijn door C.H. Nobels, lid van deze werkgroep, opgenomen in zijn scriptie. Naar deze tekst, de enig beschikbare, zijn de brieven van DP aan Bouws afgedrukt.
*Waarom hebben Zijlstra en jij op die vergadering zelf niets gezegd; dat was toch beter geweest dan om later per brief daarop terug te komen?
1874H. Marsman en R. Marsman-Barendrecht. De foto is gemaakt toen zij van 22 t/m 25 mei te Gistoux verbleven. Zie H. Marsman (Schrijversprentenboek 4). Den Haag 1960, p. 26.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie