E. du Perron
aan
H. Mayer

Gistoux, 30 mei 1930

Gistoux, Vrijdag.

Beste Henri,

Daarnet een aardige brief van Jacques - die op de vriendelijkste wijze tot het ‘verbond’ toetreedt - en een van Wynand, die op jovialen toon, nu al, begint te klagen. Men moet mij nemen voor wat ik ben: een ‘amateur’, een puur ‘liefhebber’ zelfs in dit geval. De aardigheid van het geval zit hem ergens anders, dan in de mooiïgheid. Laten we dat voor eens en voor goed vooropstellen; anders verstaan we elkaar voortdurend verkeerd. Ik vind het bovendien vervelend als ik in omstandigheden als deze zoo'n briefje van een kameraad krijg, omdat ik - het is doodeenvoudig - zelf nooit zoo'n briefje geschreven zou hebben.* Bovendien: het is ‘graag of niet’, dat spreekt.

Maar praat er maar met hem niet over, als hij er niet eerder over begint. Ik schrijf hem gelijk hiermee, en zeg hem precies wat ik denk.

Dank voor de 2 Byrons. Maar... met gelijke post zend ik je nu terug: Don Juan, Moore in de Oxford editie en Omar Khayyam van Pogany. - Bezorg mij die mooie Don Juan van fl.13.50- die fl.10.- verschil heb ik voor een mooie Don Juan best over. En zend me een van de andere Moore's en zoek - o redder in mijn boekennood! - een andere Omar voor dezen lastigen knaap.

Met veel dank vooruit, steeds je

E.

*Ik weet wel dat er een deel ‘humor’ in W.'s opmerkingen zit, maar het fond van zijn gedachten is daarom niet minder waar. En juist dat fond bevalt mij niet.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie