E. du Perron
aan
J. van Nijlen

Amsterdam, 18 januari 1930

Beste Jan,

Hierbij de verzen die ik voor het grootste deel in Lugano schreef. Zeg mij eens hoe je ze vindt. De aanstrepingen op zij zijn van Jany; dat zijn de regels die hem erg bevallen. (Ik begrijp niet goed waarom hij ook niet de laatste strophe van De Wachtende II heeft aangestreept: ‘Alsof dit klein bestaan, enz.’)

In Amsterdam schreef ik nog een sonnet voor Buning, die na in Erts Vondel gepasticheerd te hebben, in De Telegraaf geklaagd heeft en de jongelui, bij wie de Fransche en Duitsche invloeden weer zoo merkbaar waren, voor de zooveelste maal naar de Gouden Eeuw, en Vondel in top, verwezen.

Dit sonnet vind je op den achterkant van deze bladzij851. Het komt in het Febr. nr. van D.G.W.

Tot zoover, ditmaal. Ik schreef je gisteren.

Je Ed.

 

Amsterdam, 18.1.30.

851Het gedicht wordt hier niet nog eens afgedrukt.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie