E. du Perron
aan
G. Burssens

Brussel, 24 maart 1928

Zaterdagavond.

 

Beste Burssens,

Ik schreef je vanmorgen, maar daarjuist komt je schrijven waarin je me enige dingen vertelt en omgaand antwoord vraagt; ik haast me dus... Welnu, het voorstel van De Bock324 is uitstekend! - Ja, voor die keuze uit vorig werk is veel vóór en veel tegen te zeggen, maar mij dunkt, veel meer vóór dan tegen: gegeven de omstandigheden. Paul hield niet meer van Music-Hall (hij heeft het mij nooit willen laten zien) maar dit wil niets zeggen. Het is de kunstenaar die een overwonnen standpunt opgeeft, dat daarom interessant kan blijven voor de lezer, en onmisbaar voor de juiste kennis van zijn ontwikkeling. Die bundel is geheel uitgeput; ik stel voor er een flinke keus uit te doen. Evenzo met Het Sienjaal, waarin hele stukken staan die Paul zelf nog wel goed vond: als ‘Marcel Schwob, Lied voor Mezelf’ en enige andere waar wij eens nog al lang over hebben gesproken. Als ik de bundel vóór me heb, vind ik ze gemakkelik terug. De keus is dus zo moeilik niet. Heb jij de twee bundels? Maar Bezette Stad is een andere kwestie. Ten eerste is het typografies element daarin veel sterker dan in al het andere werk; ten twede vormt het veel meer een afgerond geheel; ten derde is het niet uitverkocht, en kan niemand er een betere uitgave van maken dan de bestaande die door Paul zelf - of onder zijn toezicht - werd verzorgd. Ik ben dus tegen opname van Bezette Stad; en vind dat we beter de keuze uit Music-Hall en Het Sienjaal ruimer konden nemen. Ook aan de ontwikkelingsgang van P.v.O.'s werk doet dit niets af of toe, daar immers, zoals zijn broer ons meedeelde, vele verzen die nu nog ongebundeld zijn in dezelfde tijd van B.S. werden geschreven. - B.S., volgens mij, is een monument apart.

Wat de andere bundels betreft, ik zie ze ongeveer zo: Een bundel krities proza, waarin alle opstellen in Vl Arbeid en elders verschenen.*

Een bundel bestaande uit de drie grote grotesken: Ika Loch, Trust en Bende v/d Tronk.

Een bundel korte prozastukken, geheten Kluwen van Ariadne (bij Mesens dus); waaraan zouden kunnen worden toegevoegd enige kortere grotesken in Vl. Arbeid enz. verschenen (en die niet in Vogelvrij325 staan).

Dat maakt dus, au fond, één grote dichtbundel, een flinke bundel krities proza, een grotere en een kleinere bundel ander proza. Als De Bock de drie eerste dingen voor zijn rekening neemt, mogen we, dunkt me, tevreden zijn. De vraag is: onder welke voorwaarden?

Jij deelt die natuurlik aan Paul's vader en broer mee. - Ik ga Maan-dag naar Jespers (of is het Mesens die Chée de Wâvre woont? ik kon dit uit je brief niet goed opmaken).

De rest hoor ik dan wel weer. Met beste groeten

je EdP.

 

P.S. Moet je niet een schriftelik kontrakt met De Bock aangaan alvorens je hem het recht toezegt te publiceren - en zelfs het prospektus te drukken?

 

Origineel: Letterenhuis, Antwerpen

324Eugeen de Bock (1889-1981), oprichter en beheerder van uitgeverij De Sikkel (1919) en uitgever van het expressionistische tijdschrift Ruimte.
*Ook de kortere, die dikwels heel geestig zijn!
325Een bundel grotesken uit 1927 die pas in maart 1928, enkele dagen na de dood van Van Ostaijen, verscheen, als uitgave van De Witte Raaf te Antwerpen.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie