Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Eibergen, 6 april 1938

Eibergen, 6 April '38

 

Beste Eddy

Vandaag kreeg ik je brief van 26 Maart, die dus blijkbaar gekruist heeft met mijn ‘depressiebrief’. Inmiddels ben ik nog steeds niet weer in functie; mijn zenuwen zijn blijkbaar nog niet weerbaar genoeg om de telkens terugkeerende depressieve buien te kunnen onschadelijk maken; broom en valeriaan zijn bij zulke gelegenheden de eenige betrouwbare bondgenooten.

In deze omstandigheden trek ik mij de ruzie tusschen jou en Jan nog meer aan dan anders misschien het geval zou zijn. Ik begrijp volkomen je gevoelens naar aanleiding van die critiek in het Holl. Weekbl., waarover ik je mijn opinie trouwens al schreef. Alleen begrijp ik niet, waarom je Jan kwalijk neemt, dat hij die critiek publiceert, als hij meent, dat het zoo is als hij denkt! Dat kun je, dunkt me, alleen maar apprecieeren. Zoodra wij elkaar gaan ontzien, ook tegenover de Lubbessen, heeft Lubbes het recht ons te wantrouwen; daarom had je m.i. ook Vestdijk moeten uitmoeren in het Bat. Nwsbl. Maar dit schijnt in strijd met je vriendschapscode, en begrijpen kan ik dat ook wel, al ben ik het er niet mee eens. Houd dan desalniettemin deze twee dingen uit elkaar: 1o het feit, dat Jan die critiek publiceert, en volkomen te goeder trouw, met vriendschappelijke bedoelingen, en 2o het even evidente feit, dat die critiek naar niets lijkt. Dat je je door 2o gegriefd voelt, kan ik me maar al te goed indenken! Ik weet niet, wat Jan t.o.v. dit boek bezielt, en waarom hij nu juist zijn onintelligentste kant laat zien bij deze gelegenheid. Overigens is hij inderdaad voortdurend overspannen, zooals ongeveer de helft van de ‘intellectueelen’ hier te lande; hij heeft zich pas veertien dagen op de Veluwe moeten retireeren, had last van huilbuien, en zal nu nog een week of wat naar Luxemburg gaan. Dit alles moet je natuurlijk wel in rekening brengen, hoewel het geen gram verklaart van juist deze specifieke domheid. Wat mij betreft: ik heb mij sedert jaar en dag ‘innerlijk verzoend’ met deze kant van Jan; hij is voor bepaalde problemen niet gevoeliger dan een hoofdonderwijzer, dat weet ik, maar ik voel me telkens weer geneigd dat te vergeten, eenvoudig omdat ik hem zoo buitengewoon graag mag, als mensch, als vriend, als ‘totaliteit’. Met dat al brengt een critiek als deze die eigenschap onvermijdelijk weer eens op den voorgrond, en ik denk er niet aan hier iets te idealiseeren. Dezelfde Jan juicht in hetzelfde Holl. Weekbl. over een roman van... Walter Brandligt, god weet waarom. Het zal ook zeker wel zoo zijn als je zegt: dat de wrijvingen tusschen jou en hem zich (geheel onbewust) toch in deze critiek hebben ‘omgezet’.

Je zult overigens wel begrijpen, dat ik, nu zijn gestel er zoo beroerd aan toe is, hem alleen in de algemeenste termen heb laten weten, dat ik het met die critiek niet eens ben. Wat hij trouwens allang weet, uit mondelinge reacties.

Inderdaad, de correspondentie tusschen ons schiet in den laatsten tijd weer veel beter op. Ik voel wel voortdurend het ontbreken van de verificatiemogelijkheid, maar toch, het gaat. In mijn vorige brief ried ik je sterk af terug te komen, als je in Indië een bestaan kunt vinden, hoe mager ook. Ik raad het je nog af; er is hier geen toekomst, alleen een geprolongeerd heden. In deze omstandigheden zou ik de emigratiemogelijkheid, als die zich voordeed, met beide handen aangrijpen, ook al weet ik, dat Zuidafrika of Amerika mij niet gemakkelijk met het gemis van rot-Europa zouden verzoenen. Maar voorloopig doet zich nog niets voor, en zoolang zal ik maar weer aan Het Vad. blijven, zoodra mijn zenuwen mij weer toelaten geen angst te hebben voor een wit blad papier.

Tot nader! Veel hartelijks onder ons vieren en een hand van

je

Menno

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie