Menno ter Braak
aan
E. du Perron

Den Haag, 11 juni 1934

den Haag, 11 Juni '34

 

Beste Eddy

Met veel pleizier zag ik uit je brief, dat je voor mijn bezwaar kunt voelen! Ik heb nu ijlings Jan Lubbes ter hand genomen en hem (al zeg ik het zelf) beslist beter gemaakt dan hij al was. I is nu vervallen en vervangen door bijgaand stukje, dat je natuurlijk in den proef nog wel zachtjes varieeren kunt, als het je zoo niet goed lijkt. Maar in ieder geval kom je nu lijnrecht aanmarcheeren, zonder die heele afleidende inleiding over dingen, die er maar zijdelings mee te maken hebben. Jan is nu naar Vic, teneinde het oordeel te hooren uit den mond van iemand, die tegenwoordig (N.R.C. van eergisteren) Max Kijzer en de Binnengedachten een goede critiek toedenkt. Ik weet nog altijd niet in hoeverre hij die stukken zelf au sérieux neemt, maar het is soms meer dan bar. Wat zal deze veertiger zijn als hij óók tachtiger is? De litteratuur, dat merk ik steeds meer, is een zaak, die voor de eerlijkheid van sommige geschikte menschen een helsche proef is, waaraan zij bijna altijd bezwijken.

Hierbij nog een ander staaltje van Jan Lubbes Paap. Ik had v. Duinkerken werkelijk hooger aangeslagen. Deze reactie (die nu door Dirk Coster in De Stem zegevierend wordt geciteerd en als afdoende beschouwd!) is zoo openlijk boersch-dom, zoo zonder één tegenargument zelfs, dat ik bijna verstomd sta over mijn succes bij kapelaan Belijn. Belijn begrijpt blijkbaar precies, dat hij hier niet serieus op in kan gaan, zonder zich al te erg in de kaart te laten kijken. Ik reageer met geen woord, het pietsie gevoel, dat het nog bij me wakker roept, gaat in de algemeene argumentatiezak voor mijn volgende boek. Tegen v. Duinkerken heb ik na mijn stuk in Man tegen Man trouwens niets meer te zeggen; dit is het levende (of liever: doode) bewijs, dat ik gelijk had, toen ik hem een keisteenvereerder noemde. Maar tevens bewijst mij deze reactie, dat zulk een domoor zich uitmuntend kan ‘verstellen’ als een snugger essayist; zoodra het over de bijzaken des geestes gaat (b.v. over Adama v. Scheltema, in De Gids), schrijft v.D. een uitstekende beschouwing, waarin niemand deze koe zou ontdekken. Omdat het om de bijzaken gaat! - Het gejubel van Coster is overigens begrijpelijk; hij werkt tegenwoordig, bij gebrek aan beter, samen met Rome, is misschien wel op weg naar de moederkerk.

In laatste instantie is dit alles: comedie des geestes. Een onschuldig tafereeltje op den voorgrond.

Jan Hartman heb ik toevallig laatst Binnengedachten hooren declameeren op een avond ter eere van Kloos. Hij was daarvoor in speciale bochten gewrongen, maar hij spiekte, had ze blijkbaar niet uit het hoofd kunnen leeren. Een dwaas heer.

Mila Cyrul of Myra Cilul is hier nog niet geweest. Vandaag is het stuk over de verbrande boeken gezet. Rubinstein en het glas-stuk hebben er al in gestaan! hart. gr. 2 × 2 je

Menno

 

v.D. graag terug!

 

Zie ook de geactualiseerde versie van het notenapparaat van de brieven-editie Van Galen Last (1962).

 

Origineel: Letterkundig Museum, Den Haag

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie